We kennen allemaal wel de klassieke muizenvallen: blokje kaas, spek, chocolade of pindakaas … muisje komt … KLAP … muisje dood. Of musje dood. Of pad of roodborstje dood. Of een kat of een egel met een gewonde snuit.
Dus zoek ik al een tijdje naar een plastieken bakje waarin ik gaatjes kan maken zodat de muizenval enkel toegankelijk is voor muizen. Maar die bakjes bleken telkens ofwel te groot, ofwel te laag. Tot… Weet je nog die actie van Delhaize die zoveel kritiek kreeg omdat ze als cadeaugadget bij aankoop een plastieken bouwblokje meegaven, op een plastieken schaaltje in een klein plastieken zakje?
Welnu, mijn moeder had zo’n hoop van die spullen gekregen (vloerstuk, deurtjes, raampjes en diverse blokjes) en vroeg me of ze onze kinderen daarmee een plezier kon doen. Yeah right, onze 11- en 13-jarige houden zich tegenwoordig niet meer bezig met plastieken prullen, laat staan bouwblokjes waarmee je bijna niks kan doen. Ze zijn veel liever bezig met elektronische schermen groot en klein. En op Lego passen die blokjes ook al niet. Een normaal mens zou die waardeloze rotzooi onmiddellijk in de vuilnisbak kieperen, edoch mijn immer creatieve geest zag onmiddellijk diverse mogelijkheden opborrelen. Ik heb er dan maar een muizenvalhuisje mee gemaakt. Precies groot genoeg voor een muizenval, hoog genoeg om het dichtklappen niet te hinderen, en de deurtjes kan je precies ver genoeg openen zodat enkel muizen erin kunnen. Bovendien blijft het aas droog door een stukje folie bovenaan tussen de blokjes te klemmen. En het ziet er nog grappig uit ook. De muizenval in het muizenvalhuisje is intussen voorzien van een stukje brood met pindakaas en staat op scherp.
Tegen de achtergevel van het huis is er nog een tweede verdedigingslinie. Als de muis niet kiest voor een snelle genadige dood, is er nog de chemische oorlogsvoering. Ik doe het echt niet graag, want ik weet dat het geen plezierige dood is voor die beestjes, en er is al genoeg giftige rotzooi in de wereld, Maar het is de allerlaatste verdedigingslinie, en eenmaal in de spouwmuur is het te laat. Ook al zijn alle open stootvoegen met metalen roostertjes beveiligd tegen indringing van muizen, we hebben er toch al in ons plafond gehad, waar ze veel te veel schade kunnen aanrichten, of zelfs brand kunnen veroorzaken door aan elektrische bekabeling te knabbelen. Ook daar stelde zich het probleem van zorgen dat andere dieren, zoals de egels die ’s nachts soms op het terras komen snuffelen, er niet aankunnen. Het gif zit in een plastieken bakje dat één van de kinderen ooit gevuld met snoepgoed gekregen had. Het snoepgoed is allang op, maar het stevige bakje heeft nu een tweede leven als muizenlokdoos. Het gif ligt veilig en droog, de gaten zijn klein genoeg om geen grotere dieren dan muizen door te laten, en door het vastgemaakte tussenschotje komt het zakje gif niet vlak voor de openingen te liggen mocht een doortastende egel of whatever het doosje te lijf gaan. Het is bevestigd op een stukje hout om het geheel wat gewicht te geven, zodat het niet wegwaait bij de eerste de beste harde wind.
Groeten, Guy
Update 16/02/2020: Het muizenvalhuisje was in het begin geen succes. Het aas verdween steeds, maar de muis ook, wat toch niet echt de bedoeling is. Ik kwam tot de conclusie dat het valletje iéts te stroef was, en een jonge muis weegt maar een gram of tien. Ik heb dan maar een nieuwe klapval gekocht. Als aas prikte ik een stukje okkernoot op het haakje, waarna in een weinig pindakaas op het nootje smeerde, en aan de ingang van het huisje. Op drie maanden tijd heb ik er nu al vier te grazen. De foto heb ik hieronder verstopt, wegens niet geschikt voor de gevoelige kijker. (😱 🔞 scroll ⬇️)
Om de oogst van tomaten en zo properder in huis te kunnen leggen, maar ook in de winkel gekocht vers fruit of verse culinaire ingrediënten, heb ik een klein rekske gemaakt waar zes van die houten of kartonnen mandarijnenkistjes in kunnen. Normaal gezien probeer ik zoiets te doen met restjes ‘afval’hout. Ik had niet echter genoeg houten brol liggen om dat fatsoenlijk en enigszins toonbaar te kunnen maken, dus heb ik moeten investeren. Dat bleef evenwel beperkt tot 12,16 euro. Oef! (Gierig? Moi?) Verder had ik nog een weinig houtlijm en 24 kleine spijkertjes nodig. En een zaagskeuh en een hamertjeuh maar géén beiteltjeuh. Het voordeel van iets zelf in in malkander te klooien, is dat je het precies op de gewenste maat kunt maken, in ons geval: netjes passend op de diepvriezer in het waskot, vóór ons bakske van de WIFI dat ook op die diepvriezer staat.
Update 22/11/19: Ha! Gijlie dacht zeker dat dat om te lachen was, van die oogst van tomaten! Hier keihard bewijs!
foto van 10 september, toen het te regenachtig werd om de vleestomaten nog buiten aan de plant te laten hangen
Niet zo heel erg lang geleden – de dieren konden allang niet meer praten – had ik nog een reguliere job. Ik was toen druk doende met facility management (‘de technische dienst’), en in die job kon ik de hand leggen op de mooiste houten wegwerppallets en had ik de beschikking over het beste instrumentarium om die pallets te ontleden tot hun primaire bestanddelen, zijnde stevige planken waarmee je allerlei leuke dingen kunt doen. Ik had daar destijds een stevige compostbak mee gemaakt. Met verluchtingsspleten, en onderaan een grote opening om de compost uit te halen, afgesloten met een stevige aluminium plaat met een handig handvat. Dat werkte vreselijk goed. Je kon daar alles inkappen, zonder al te veel rekening te houden met allerlei regeltjes, en op een paar maanden tijd was de hele teringzooi netjes gecomposteerd. Je leest maar al te vaak ‘en ge moogt dit er niet indoen, en dat ook niet, en si en la’ maar ik pleurde daar gewoon alles in, en toch leverde dat een vat met bovenin de verse rotzooi, in het midden een enorme bol van wel tienduizend miljard wormen, en onderaan uitstekende en lekker ruikende compost. Elk jaar haalde ik daar drie volle kruiwagens compost uit. Maar na een jaar of acht begon de hele reutemeteut in mekaar te stuiken. Zo rot als wat. Het had nog lang geduurd. Spijtig dat ik er geen volledige foto van heb.
In die tijd zat ik al vaker ziek thuis dan ik op m’n werk was, maar had ik wel nog van m’n immer op fiscale voordeeltjes beluste werkgever een hoop ecocheques in huis. Daarmee moest ik binnen de week nog iets nuttigs aanvangen, op straffe van verval van de geldelijke waarde. Dus trok ik naar de plaatselijke Hubo met een boodschappenlijstje waarop tevens een compostvat vermeld stond. Maar wat een vreselijke brol was me dat toch allemaal. Een zelfbouwpakket met prullerige plastieken onderdelen die wegens onvolmaaktheden bij de productie amper fatsoenlijk in mekaar te krijgen waren. En onderwijl worstelde ik gedurig met die zuurstofslang in m’n bek en dat zuurstofmachientje aan een riem om m’n nek. Dat plastieken spel heeft nooit zo goed en zo snel gecomposteerd als m’n zelfgemaakte bak, met als gevolg dat die altijd vol zat en we er amper compost uitkregen. Dat we er weinig compost uitkregen had natuurlijk ook te maken met die belachelijk kleine openingen onderaan. Waar ik bij m’n ambachtelijke bak de compost er nog met een normale schop kon uitscheppen onderaan, moest ik nu met een speelgoedschepje een beetje compost trachten uitpeuteren door een kleine opening. Ochottekes drie emmertjes kreeg ik er dit jaar uit, in plaats van de traditionele drie kruiwagens.
Na het uitpeuteren van die drie emmertjes zat de compostbak dus nog steeds vol, met een gloednieuw lochtingseizoen voor de deur. Deze week heb ik na m’n revalidatiesessie in UZGent naar het nabijgelegen Ivago gereden, onze lieve intercommunale afvalbeheerder, om een extra compostvat te kopen, Amper 30 euro voor een stevige compostbak en 6 euro voor een beluchtingspook die eruit ziet als een onverwoestbaar middeleeuws aanvalswapen. De vlakbij gelegen Hubo heb ik ook nog eens gefrequenteerd om negen betonnen ‘voetpadtegels’ te kopen om m’n aanwinst op te plaatsen. (Wist je dat zo’n betontegel slechts één euro kost? Daarvoor kunt ge niet sukkelen, dacht ik zo.) Meteen een onderlaag van twijgjes en dunne takjes in het vat gekieperd, gevolgd door een lading keukenafval en wat plantaardige rotzooi die al een hele tijd in mijn klein lochtingske lag te wachten op een leuke compostbak die zich erover zou ontfermen. Alsook wat regenwormen en duizendpoten en pissebedden uit de kaduke compostbak gehaald om in de nieuwe compostbak te gooien. Zonder die afvalverwerkende fauna werkt een compostbak immers niet.
NB: Wat betreft die plantaardige rotzooi die al een tijdje op en hoopje lag te wachten: Onderaan dat hoopje lag een ruiker verwelkte snijbloemen. Gewoon een boeket van een bloemenwinkel. Dat lag daar al twee maanden onderaan dat hoopje. De hele ruiker lag daar echter nog steeds. Verwelkt, maar verder nog zo goed als intact. Ik heb geen idee met welke giftige rotzooi die bloemen zoal bespoten werden waardoor ze niet vergaan, maar ik dacht dat het geen goed idee was om m’n compostbak te beginnen vullen met iets dat eerder bij chemisch afval thuishoort dan in een compostbak.
Groeten, Guy
PS Uiteindelijk heb ik dat prulcompostvat ook vervangen door zo’n exemplaar van Ivago. Het was helemaal kromgetrokken door het gewicht van de inhoud, en err zaten rattengaten in.
Het is dus de bedoeling dat ik mezelf drie keer in de week naar het plaatselijke UZ begeef, om me aldaar telkenmale anderhalf uur over te leveren aan de grillen van een hoop kinesisten en ergotherapeuten, en dit tot zes maanden na de longtransplantatie. Ik ga slechts twee keer in de week, wat in de praktijk vaak neerkomt op één keer in de week. Want druk-druk-druk en al. Zeker toen februari 2019 de allures kreeg van een lentemaand die al behoorlijk veel zin had in de zomer. Ik heb alle klussen kunnen doen die ik hoopte te kunnen doen in februari. De kiekenskooi aanpakken en upgraden, graven en beton kappen tegen rattengespuis, geboompte te lijf gaan met een kettingzaag en reduceren tot stoofhout, mijn kleine serre weer helemaal klaar maken, en nog een heleboel klussen waarvoor ik de laatste jaren niet meer de kracht en de mogelijkheid had. ‘Zolang we maar gezond zijn’ en zo. Terwijl ik dan naarstig in den hof bezig was, heb ik enkele keren gebrost voor de revalidatiesessie, foei foei nog eens aan toe. Maar kom, met zakken van 25 kg zand en cement rondhossen en zagen en kappen en graven en doen is revalidatie genoeg, dacht ik in al mijn passieve agressiviteit en medische onwetendheid. En als ik wél naar de revalidatie ging, was ik soms gewoon al te moe en mijn spieren te verzuurd om mijn revalidatieoefeningen nog goed te kunnen doen.
Anyway, de laatste driemaandelijkse inspanningstesten in het UZ-Gent waren best ok. Op de quadriceps na, waren alle resultaten beter dan ze de laatste drie jaar geweest zijn. De revalidatie werkt, niet alleen om aan te sterken na een periode van invaliditeit en een heel zware operatie, maar ook om de neveneffecten van de medicatie tegen afstoting te compenseren. Die medicatie vreet een mens z’n spieren zo ongeveer op.
In dat heerlijke laatste weekend van februari heb ik de eerste vlinders van het jaar gespot (twee citroenvlinders), en ook voor het eerst terug een bescheiden eindje op straat gefietst. En twee dagen later naar de tramhalte gefietst en een tram genomen naar de stad om daar nog een stuk te wandelen tot aan het stadhuis, voor de verrassingsafscheidsdrink die de collega’s van vrouwlief voor haar georganiseerd hadden.
Februari was al bij al fysiek een zware maand voor mij, maar behoorlijk productief en o zo belangrijk, een keerpunt in mijn leven eigenlijk. Laat de rest van mijn leven maar komen, ik ben er fokking klaar voor.
Intussen is maart begonnen vol wind en regen. Hier en daar
kan ik tussen twee buien door nog één en ander doen, maar ik ben zo content dat
ik in februari al zoveel kon doen. En gewoon content zijn, het maakt niet eens uit
met wat, dat is volgens mij het beste wat het leven te bieden heeft. Joehoe!
Deze keer nog eens iets dat niks met mijn klein lochtingske te maken heeft, of hooguit zijdelings. Mensen die mij kennen weten dat ik de laatste jaren nogal vaak in het ziekenhuis gelegen heb. En dat telkens voor minstens twee weken. In het Gentse heb ik reeds alle ziekenhuizen gehad, maar de laatste jaren toch vooral het UZGent. Noem me gerust een ervaringsdeskundige. Ik ben dan ook goed geplaatst om enkele nuttige en comfortverhogende ziekenhuistips mee te geven voor korte maar zeker voor langdurige ziekenhuisopnames.
– Neem minimaal een peper- en zoutvatje mee. Eventueel ook andere specerijen. Ik nam op den duur een heel setje mee met onder meer ketchup, mayonaise, tabasco, …
– Alsook extra choco en confituur.
– Ook het armzalige koekje dat je bij de steevast vreselijk slappe koffie krijgt kan je op eigen houtje aanvullen. Gevorderden laten ook hun eigen koffiezet of Senseo of zo nabrengen.
– Wanneer het op culinair vlak echt de spuigaten uitloopt, laat dan ongegeneerd eens een pizza brengen in plaats van de ziekenhuistroep op te eten. Het verplegend personeel begrijpt dat. Zij moeten die ziekenhuiskost immers zelf ook niet. Ik vroeg vaak ook om tomaten meebrengen van thuis, en zeker van die minitomaatjes die overvloedig groeiden in mijn klein lochtingske. Kilo’s heb ik er gegeten in het ziekenhuis!
– Breng uw eigen vertrouwde toiletpapier mee. Uw gat afkuisen
met dat schuurpapier van het hospitaal heeft geen enkele medische meerwaarde.
En uw gat ligt dan niet open na een week.
– Vind je dat het polsbandje, ondanks jouw uitdrukkelijk
verzoek, toch wat te strak zit? Aarzel
geen ogenblik om het los te knippen en met een pleister weer rond de pols vast
te maken. Een irritant spannend polsbandje heeft géén bijzondere geneeskundige
kracht.
Let wel: om het polsbandje weer rond de pols vast te maken, heb je logischerwijs
slechts één hand voluit ter beschikking. Het kan wat knoeien zijn. Vraag desgevallend
bijstand van bezoekende familie of vrienden, zo je die hebt.
– Voor de zuurstofbehoeftigen onder ons: in sommige ziekenhuizen blijken de neusbrilletjes zo gemaakt te zijn dat ze bij langdurig gebruik de binnenkant van de neus omploegen. Kieper dat de vuilbak in en zorg voor een betere kwaliteit van neusbrilletjes.
– Indien je voldoende mobiel bent: dring aan om zelfstandig naar geplande onderzoeken te mogen gaan. Dat bespaart je heel wat tijd die je anders volstrekt nutteloos in een bed of rolstoel ergens in een tochtige gang ligt te wachten op transport.
– Maak nooit melding van kleine irrelevante lichamelijke ongemakken die niks met jouw behandeling te maken hebben. Eén enkele opmerking over pakweg wat onschuldige jeuk aan uw gat en binnen de kortste keren staat een doktersteam met een hele troep studenten in hun kielzog uw bloot gat te onderzoeken.
– Ook het melden van mentale ongemakken is om dezelfde reden uit den boze. Tenzij je écht gek wordt. En dan nog.
– Minimaliseer echter nooit wanneer men jou vraagt hoeveel pijn je hebt. Doe gerust kleinzerig. Een ziekenhuis is de laatste plaats waar je pijn moet hebben. Ze hebben daar leuke pillen tegen eender welke pijn.
– Ook al weet je na een tijdje beter hoe zo’n infuuspomp werkt dan het verplegend personeel zelf, hou je volledig van den domme. Niemand houdt van betweterige bemoeials.
– Het kan gebeuren dat je …euh… gevisiteerd wordt in een plaats waar je het niet graag hebt. Hou in gedachten dat de meeste artsen dat zelf óók niet graag doen. De weinige perverten die daar stiekem van genieten werken altijd in andere ziekenhuizen.
– Ben je ook zo ongelofelijk curieus naar de inhoud van de brief die je bij je ontslag in een gesloten omslag meekrijgt voor de huisarts? Wel, scheur de omslag open en lees het. Zoek geen excuus voor de geopende omslag. Het gaat over jouw eigen lichaam en gezondheid. De huisarts zou dat zelf ook doen. En je hebt sowieso recht op inzage in jouw medisch dossier.
DISCLAIMER: Bepaalde tips kunnen indruisen tegen het dieet dat je om gezondheidsredenen moet volgen. Veeg in dat geval uw kloten aan deze tips, en volg het betreffende advies van de dokters. Vaak weten zij waarover ze praten.
Groeten, Guy
*** Heb je zelf nog extra ziekenhuistips? Laat het hier gerust weten! ***
Joehoe! Het is februari! “Ja, en dan?” zal je mogelijks opperen. Wel, deze februari is voor mij een redelijk belangrijke maand. Voor het eerst sedert m’n longtransplantatie ga ik in de lochting beginnen werken, en voor het eerst in enkele jaren kan ik opnieuw proberen om weer een schoon klein maar goedgevuld lochtingske te maken. Staat deze maand onder meer op het programma: het (in huis) voorzaaien van rode kool, sla, peterselie, basilicum, tijm, sla en prei. En wellicht nog wat andere dingen. Sla en prei en rucola heb ik al geprobeerd in januari, daar dat was geen succes. Te vroeg. En wat in februari uitkomt, zal misschien de wél gelukte januarizaaisels qua groei voorbijsteken. We zullen zien.
Ook zal er ook wat in volle grond gezaaid worden: tuinbonen. Ik heb nog nooit tuinbonen gezaaid, maar iemand heeft me wijsgemaakt dat ik dat zeker eens moest proberen. Dus probeer ik dat. Het zal alleszins pas in de tweede helft van februari zijn. Veel te vroeg zaaien heeft geen zin, en ik wil de padden en ander winterslapend ongedierte niet te vroeg ambeteren. In ieder geval zijn de tuinbonen nu sedert drie dagen voorgezaaid in potjes in de serre. 27 stuks zou precies genoeg moeten zijn voor één rijtje. Zodra die uitgeplant zijn ga ik er wellicht nog 27 zaaien voor een tweede rijtje. Soms is het beter van ze niet allemaal tegelijk te zaaien, zodat de oogst wat gespreid kan worden.
Op een mooie zonnige dag ga ik ook nog even kuis houden met de kettingzaag. In de kiekentuin heb ik ooit een aantal kleine boompjes gezet. Het is nu eerder een kiekenbos geworden, met takken die overhangen waar ze niet horen over te hangen en zo. Enkele boompjes tegen de zijkant moeten heeltegans weg. Begin oktober had ik met een handzaag al enkele dunnere takken verwijderd, maar het leek me niet zo handig om met een kettingzaag in de weer te zijn met een zuurstofmachien rond ’n nek en een slang in m’n bek. Dat probleem is intussen van de baan😉. Maar nu niet te lang meer mee wachten, want beginnen zagen wanneer de hele boel weer vol bladeren hangt, daarmee maak je het jezelf alleen maar moeilijk. Ik denk wel dat de spieren in mijn borst intussen voldoende hersteld zijn om korte tijd veilig een kettingzaag te hanteren. (Er wordt behoorlijk wat doorgesneden, gebroken, gezaagd en gehakt om een stel longen te kunnen vervangen!)
In het kiekengedeelte is er ook nog wel wat werk, maar
daarover meer bij een andere gelegenheid.
In de serre ga ik aarde vervangen door andere grond en compost. Mijn schoonvader zegt: als ge tomaten kweekt moet je in de serre elk jaar wat grond vervangen door verse aarde, tot 50 cm diep. Dat mijn schoonvader zegt wat hij wilt. Ik ga daar geen halve meter diep gaan uitgraven. Een centimeter of 30 , plaatselijk misschien 40, zal volstaan. Wat we natuurlijk niet willen is dat de tomaten last krijgen van bodemmoeheid en aaltjes en al. Of misschien doe ik toch 40 à 50 cm, maar slechts de helft van de serre ; en volgend jaar dan de andere helft. Ik weet het, het is maar een kleine serre, maar mijn fysieke conditie is nog niet helemaal je dat. Ach, ik zie wel wanneer ik bezig ben. Wanneer de serre klaar is, kan ik al een hoop potjes verhuizen van de vensterbank in huis, wellicht tot grote tevredenheid van vrouwlief.
Wat die compost betreft: daar ben ik nog niet klaar mee. Na het ongeveer uiteenvallen van mijn oude compostbak heb ik vorig jaar een nieuwe gekocht. Zelf een nieuwe maken lukte op dat moment niet wegens tegenpruttelend lichaam, dus maar fokking plastieken brol uit de winkel gekocht. Nood breekt wet. Gemakkelijk te plaatsen, maar bijkans ondoenbaar om daar onderaan een noemenswaardige hoeveelheid compost te kunnen uitpeuteren. Breek me de bek niet open over de compostbak. Ik zal daarover later eens een apart en ongetwijfeld bijzonder boeiend stukje over schrijven. Daar zullen weer keiveel mensen in geïnteresseerd zijn 😊
Ook in februari wil ik nog m’n drie frambozenstruikjes verplaatsen. Ze staan nu op een ambetante plaats vlak tegen m’n aalbessenvogelafscherming. Ik ga die frambozen, alsook de stevige steun die ik aan de frambozenstruikjes geplaatst heb, verplaatsen zodat ik gemakkelijk aan beide zijden van de frambozen kan en de frambozentakken niet steeds tussen de aalbessen beginnen groeien.
Ik schreef het al elders: in geen enkel zichzelf respecterend lochtingske groot of klein mogen stinkertjes ontbreken, ook wel gekend als Tagetes of Afrikaantjes. Ze zouden ambetante insecten weghouden en vooral goed zijn tegen aaltjes die de wortels van sommige gewassen kunnen aantasten en opvreten. Enig opzoekwerk leerde mij dat dit effect wetenschappelijk bewezen is, vooral bij de meest voorkomende variant Tagetes Patula. Weliswaar werkt het niet bij álle soorten schadelijke aaltjes, en om echt heel effectief te zijn staat er best heel erg veel Tagetes. Maar alle beetjes helpen en uiteraard willen we nog plaats over om onze groensels te kweken.
Ik ga er redelijk wat zaaien: voor in de serre, voor in mijn klein lochtingske, alsook voor op het terras. Het zijn tenslotte ook gewoon mooie bloemen. Voor dit jaar heb ik een zakje zaad gekocht ; voor de volgende jaren tracht ik het zaad zelf te winnen.
Groeten, Guy
begin januari gezaaid – voorzaaien in halve wc-rolletjes in een afgedekt potje, op vensterbank, normale kamertemperatuur, vochtig houden, deksel eraf zodra zaadjes ontkiemd zijn – komt bijna allemaal snel uit alsof het niks is – begin februari: weliswaar snel onkiemd, maar daarna groeit dat toch nog niet wreed rap verder
vier weken na het zaaien
12/03/19: in de serre in potjes geplant ; de wc-rolletjes waren bijkans vergaan.
23/04/19: ze worden zo snel groot meneer
begin februari gezaaid – voorzaaien in afgedekt potje, op vensterbank, normale kamertemperatuur, vochtig houden, deksel eraf zodra zaadjes ontkiemd zijn – 23 april: ze zijn bijna even groot als de plantjes die een volle maand eerder gezaaid zijn, maar je kan beide lichtingen nog van elkaar onderscheiden. Ik denk dat het weinig zin heeft om al begin januari te zaaien.
uitgeplant in april en mei – vooral in de buurt van de tomaten
toevoeging 25/01/20: Die tagetes, of hoe je het ook wil noemen, dat groeit dus als zot. Het heeft weinig zin om ze vóór maart te zaaien. Het geeft de plantjes geen noemenswaardige. Ik zet er in ieder geval géén meer in bakken waar een tomaat of paprika of peper instaat, want die tagetes groeit gewoon sneller. Ze eet wellicht ook de meeste van de aanwezige voedingsstoffen in de pot op. Ik wou eerst ‘vitamientjes’ schrijven, in de plaats van ‘voedingsstoffen’, en toen dacht ik spontaan aan dit Vitamientje:
Vermoedelijk zegt dat wel iets over mijn leeftijd. Of we afdwalen? Ongetwijfeld. Om te besluiten: tagetes worden mooie uitbundig bloeiende planten. Wel mooi en nuttig en al, maar opdringerig. Er kwamen ontzettend veel bloemen aan, en elke bloem geeft een flinke hoeveelheid bruikbare zaadjes, dus… met mate, en niet al te dicht bij wat je wil oogsten.
Some like it hot. Ook ik heb al gaarne eens wat pikantigheid in mijn eten. En dan is het plezant wanneer je bij het koken verse hete pepertjes uit den hof kunt halen. Van mijn pepertjes van vorig jaar heb ik wat zaadjes bewaard. Gewoon de zaadjes uit een pepertje roetsjen en laten drogen op een velletje keukenpapier. Of krantenpapier, of whatever, ik denk dat het die zaadjes niet zoveel kan schelen op welke ondergrond ze precies liggen te drogen. Wanneer ik bezig bent met hete pepers denk ik er altijd aan: ‘vanavond zeker niet meer met uw vingers in uw ogen wrijven …. vanavond zeker niet meer met uw vingers in uw ogen wrijven .…’ Waarna ik vijf minuten later met mijn vingers in mijn ogen wrijf. Waarna ik me tranend en vloekend bedenk dat ik een hele doos van die dunne nitril handschoentjes in de keukenkast heb staan.
(foto gepikt van ‘smulweb.nl’)
Zo’n peperplant is eigenlijk best wel een mooie plant. Ik ga proberen om ook er eentje als kamerplant te houden. Uiteraard komt er eentje in de serre, en ik zal er ook enkele op een zonnig plekje op het terras zetten. De rest van de plantjes geef ik weg.
(foto gepikt van ‘bakker.com’)
Volgens het WWW begin je peper maar beter vroeg te zaaien, en volg je bij het opkweken best een paar tips i.v.m. toppen en zo, om een mooie plant te krijgen die veel vrucht draagt.
begin januari gezaaid – een nachtje voorgeweekt, voorgezaaid in een kartonnen eierdoosje in een afgedekt potje boven radiator, vochtig houden, deksel eraf zodra zaadjes ontkiemd zijn – twee zaadjes ontkiemen na enkele dagen al, en een week of twee later staat de rest er ook (behalve eentje) er ook, groeit niet snel maar ’t ziet er goed uit
vier weken na het zaaien
begin februari gezaaid – een nachtje voorgeweekt, voorgezaaid in halve wc-rolletjes in een afgedekt potje boven radiator, vochtig houden, … – na 5 dagen komen de eerste zaadjes uit
na 5 dagen zijn de eerste peperzaadjes ontkiemd
12/03/19: – de begin februari gezaaide zijn al groter dan de in januari gezaaide – vroeger dan begin februari voorzaaien had dus geen zin. – 10 plantjes van beide zaaisels in bloempotjes gepot, met karton en al. Zowel de eierdoosjes als de wc-rolletjes vielen zowat uit mekaar.
23/04/19: De plantjes zijn nogal gegroeid. Ik heb ze voorzien van een steunstokje (dat kostte in de Carrefour 2 euro voor 100 stuks of zo), en een deel naar de serre verhuisd. Ze zijn al allemaal vertakt (de eerste Y-splitsing) en enkele plantjes ontwikkelen bloemetjes. Die bloemen verwijder ik, want de plantjes zijn nog veel te klein om met bloemen en vruchten te beginnen. Ik lees hier en daar ook over het snoeien van peperplantjes na het ‘defintief’ uitplanten, maar zover zijn we nog niet. Misschien doe ik dat bij enkele wel en bij enkele niet, om het te kunnen vergelijken.
even uit de serre om te poseren voor de foto
bij de plantjes op de vensterbank zijn de zich ontwikkelende bloemen goed te zien
-“Zeg, ‘Some like it hot’ is wel een film hé.” -“Welja, en dan?” -“Dat heeft niks met eten te maken.” -“Ben je daar zeker van?” -“Ja, dat heeft te maken met Marilyn Monroe die een sexy vrouw speelt in die film” -“ Ik zeg u dat het met eten te maken heeft.” -“Ha ja? Het zal wel!” -“Ja. De filmtitel verwijst naar een kinderrijmje over erwtenpap.”
Pease porridge hot, pease porridge cold, Pease porridge in the pot, nine days old; Some like it hot, some like it cold, Some like it in the pot, nine days old.
Ik ben nooit een vreselijk groot voorstander geweest van kerstbomen, kerstslingers, kerstballen en ander kerstgedoe. Doch, op een bepaald moment in het leven ben je dan eindelijk aan vrouw en kinderen geraakt, en gaat het leven nu eenmaal de kant op waar je toegevingen moet doen in het kader van een huiselijke kerstsfeer, of wat daarvoor moet doorgaan. Ik ben daar geen uitzondering op. Enkele jaren lang heb ik het kunnen houden bij een klein, plastieken, van het grofvuil gered kerstboompje. Twee jaar geleden – zo rond begin december 2017 – werd de druk van de gezinsleden te groot, en kochten we een echte levende kerstboom. Het was best wel een mooie kerstboom, en hij verloor amper naalden. Gekweekt in de pot. Na de periode van kerst- en eindejaarsfestiviteiten hebben we die kerstboom buiten gezet, met pot en al, op de plaats die des zomers voorbehouden was aan de uitbundig bloeiende stokrozen. Die prachtige kerstboom zouden we vast en zeker het jaar nadien opnieuw gebruiken! Hij begon gezond en wel verder te groeien, zodanig dat ik besloot om de kerstboom in een grotere pot te zetten om de boom optimaal te laten floreren. De boom maakte nieuwe knoppen aan, en had het kennelijk helemaal naar z’n zin.
Toen begon die bijkans eindeloze droogte van 2018. Aangezien de kerstboom nog in een pot zat, moest die geregeld water krijgen. In die periode moest ik evenwel om de acht weken voor twee weken naar het hospitaal voor een behandeling, en ik had bij één van die hospitalisaties nagelaten om vrouwlief de nodige instructies te geven omtrent het water geven van de kerstboom. Aangezien de vingers van vrouwlief uit zichzelf niet bijzonder groen zijn, had zij daar zelf ook niet aan gedacht. Dus toen ik twee weken later weer naar huis mocht, was de kerstboom helemaal Trumperig oranje in plaats van levendig groen. Morsdood. Hij staat er nu, zoveel maanden later, nog steeds. Het is één van de voorjaarsklussen op m’n to-do-lijstje: wijlen de kerstboom uit de pot halen en sluikstorten in het verwaarloosde bosje naast de even verwaarloosde weide achter ons huis. Terug aan de natuur geven, als het ware. De stokrozen komen terug, ik heb er – wat had je gedacht – nog voldoende zaad van.
De laatste kerst hadden we helemaal géén kerstboom in huis,
maar dat is weer een heel ander verhaal.
Niks mis met Breaking Bad of the Handmaid’s Tale hoor, en Game of Thrones is naar verluidt ook wel best te pruimen. Maar de beste serie ooit is Battlestar Galactica. De ‘reimagined’ versie van 2003-2008 dan wel, niet het melige gezwets uit 1978.
DISCLAIMER 1: Gaat dit niet over de moestuin misschien? Nee, deze keer niet. Wie enkel wil lezen over mijn geknoei met groensels (wellicht óók niemand) slaat best dit hele stuk over.
DISCLAIMER 2: Voor wie de serie nog niet gezien heeft maar wel van plan is om dat alsnog te doen: héél veel serieuze SPOILERS AHEAD!
De versie uit 1978 had best wel enkele leuke vondsten, en was een verdienstelijke poging om op de toenmalige Star Wars-trein te springen. Als kind zat ik daar heel gaarne naar te kijken, maar écht goed was het niet. Vooral Muffit de robothond werkt danig op een mens zijn kloten. Over de godsgruwelijke vervolgserie ‘Galactica 1980’ gaan we gewoon zwijgen, dat is nog het beste.
Maar die nieuwe reeks: meesterlijk, op elk mogelijk vlak. Ik was verkocht vanaf deopeningsscène van de miniserie, die als pilot diende. Uiteindelijk heb ik de hele DVD-box gekocht en heb ik de serie gebingewatcht. Drie keer intussen. En ik heb de cd’s met de fantastische soundtrack. En, joehoe!, nu ook het boek “So Say We All”, samengesteld uit interviews met meer dan honderd mensen die meegewerkt hebben aan Battlestar Galactica.
Het verhaal, het script, de productie, de regie, het acteerwerk, de muziek,… alles is van een geweldig niveau. Zelfs de CGI is heden, nu meer dan 10 jaar technologische hoogstandjes later, echt wel dik in orde.
Wie Battlestar Galactica zegt, zegt ook fenomenale soundtrack. Componist Bear McCreary heeft hier ongelofelijk werk verricht. Luister bijvoorbeeld hier eens naar. De muziek is vaak nadrukkelijk aanwezig en bepaalt sterk mee de beklijvende sfeer van de serie.
Er is een wonderbaarlijke chemie tussen de cast, de regie, de muziek. De betrokken acteurs getuigen zoveel jaar later nog steeds van de uitzonderlijke sfeer op de set, en er zijn hechte vriendschappen voor het leven ontstaan. Zowel voor- als tegenstanders zullen wellicht erkennen dat episodes als “33” of “Exodus – part II” meesterwerkjes zijn, met onmiskenbaar filmische kwaliteit. En belangrijk: de serie werd niet op een bepaald moment stopgezet, maar heeft een einde. Het verhaal is volledig verteld, wat vaker niét dan wel gebeurt in televisieseries.
Nu, over dat einde zijn de meningen wel een beetje verdeeld. Eigenlijk over een groot stuk van de serie. Hoewel voor- als tegenstanders zullen wellicht toegeven dat een episode als ‘33’ één van de beste episodes is van eender welke serie ooit gemaakt, zijn er nogal wat kijkers die afknappen op wat zij een teveel aan ‘deus ex machina’ noemen. Verhaallijnen die zogezegd enkel opgelost worden door onmogelijke goddelijke of bovennatuurlijke wendingen. ‘Goddidit’. Ik ben het daar evenwel volstrekt niet mee eens. Die mensen kennen volgens mij niet veel science fiction, ook al hebben ze mogelijks wel al eens naar Star Trek of Star Wars en dergelijke onzin gekeken. Of ze houden er gewoon niet van.
Reeds in het begin van de serie wordt ons duidelijk gemaakt dat er derden in het spel zijn die zich met onze zaken (en met die van de cylons) bemoeien. Wie, dat wordt niet echt duidelijk gemaakt. Het is heel goed mogelijk dat het de ‘Lords of Kobol’ zijn, of één daarvan, die ver geavanceerde wezens met wie de mensen heel lang zij aan zij op de planeet Kobol woonden. Die zo geavanceerd waren dat zij door de mensen als goden beschouwd werden. In ieder geval: het is duidelijk dat die derde – laat ons die verder de ‘One True God’ (OTG) noemen – een bijzondere interesse vertoont in de toekomst van mens en cylon. En dat die OTG over technologische mogelijkheden beschikt die ons begripsvermogen te boven gaan, en dat pakweg 1000 jaar geen overdreven lange tijdspanne is voor hem (M/V/X). Daar is niks echt goddelijks of bovennatuurlijks aan. Het is zelfs een vaak voorkomend thema in SF. Denk ook aan wat bekend staat als ‘Clarke’s Third Law’: “Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic.”, of ‘Shermer’s Last Law’: “Any sufficiently advanced extraterrestrial intelligence is indistinguishable from God”.
De OTG is niet omnipotent zoals de dekselse Q uit Star Trek. Zelfs niet zo machtig als de ‘Sleeping God’ uit F. Hamiltons ‘The Night’s Dawn‘trilogie. Er zijn duidelijk beperkingen aan wat hij kan doen, of het zou voor hem veel eenvoudiger geweest zijn om zijn doel te bereiken. Maar hij heeft wel de mogelijkheid om hier en daar wat bij te sturen en te manipuleren met de hoogtechnologische, voor mens en cylon magische trukendoos waarover hij beschikt.
Een ander voorbeeld zijn de Overlords uit ‘Childhood’s End‘ van SF-grootmeester Arthur C. Clarke. De Overlords, die op hun beurt nog eens overruled worden door een nog meer geavanceerder soort, zo geavanceerd dat het zelfs hún begripsvermogen te boven gaat. Of de buitenaardse pipo’s die Jodie Foster op onverklaarbare wijze de trip van haar leven bezorgen in ‘Contact’. Je ziet ze niet, maar ze zijn er wel en grijpen echt fysiek in, in de waarneembare realiteit. Ze kunnen zich manifesteren als een vertrouwd maar imaginair personage. Battlestar Galactica is dus zeker niet alleen met het gebruik van zogenaamde ‘head characters’ om contact te leggen en invloed uit te oefenen. In Contact is het de overleden vader van het hoofdpersonage, en in Childhood’s End ontelbare overleden dierbaren over de hele wereld en vooral de overleden echtgenote.
de ‘zes’ in Battlestar Galactica
de vader in Contact
de echtgenote in Childhood’s End
‘head characters’ als boodschapper in resp. Battlestar Galactica, Contact en Childhood’s End
Wellicht zouden sommige kijkers liever zien dat de OTG zijn bestaan niet alleen indirect kenbaar maakte door zijn daden, interventies, en door ‘head’ personages die enkel zichtbaar zijn voor specifieke personen, maar dat hij/zij zich ook gewoon fysiek aan iedereen liet zien. Gelukkig hebben Ron Moore en David Eick dat nooit gedaan. Gedoe met rondzwevende aliens, al dan niet met rubberen schubben en tentakels, zou de serie niet ten goede gekomen zijn. Het zou in ieder geval een heel ándere serie geweest zijn.
Laat ons niet vergeten: in de originele serie uit 1978 kwamen er eveneens bemoeizuchtige wezens met supergeavanceerde technologie aan te pas: de ‘Beings Of Light’. Ook die god-achtige wezens lieten een overleden Starbuck ‘verrijzen’ en wilden de mensheid naar de Aarde leiden. En ook al werd dit vrij knullig geschreven en uitgevoerd, niemand had een probleem met die Beings Of Light. Wellicht vooral omdat die lichtdinges zich wat uitdrukkelijker fysiek lieten zien, en de boel niet vooral vanachter de schermen manipuleerden zoals de OTG doet.
Op een bepaald moment vond de OTG het blijkbaar wel nodig, om redenen die we nooit zullen kennen of die onkenbaar zijn voor ons, om meer tastbaar bewijs te leveren van zijn bestaan en zijn bemoeizucht. Dat wordt op het einde van de serie door Baltar uit de doeken gedaan, naar aanleiding van de terugkeer van Starbuck, . Maar zich laten zien, nee, dat deed die OTG niet.
Een plezante anekdote is dat hoofdrolspeler Edward James Olmos in een interview liet weten dat hij in zijn contract had laten opnemen dat hij uit de serie zou stappen zodra er rubberen ruimtemonsters aan te pas kwamen. Het was overigens nooit de intentie van maker Ronald D. Moore om een show met reptielachtig aliens te maken, dat maakte hij van in het begin duidelijk in zijn ‘series bible‘. Je vindt hier de originele paginas in pdf-formaat: Battlestar Galactica_series_bible, by Ronald D. Moore
Sommige kijkers vinden het ook niet plezant dat de beweegredenen van de OTG niet uitgelegd worden. Ook een onterechte kritiek imho. Alsof wij de beweegredenen en motivaties van een extreem intelligent en geavanceerd wezen zouden kunnen begrijpen. Alsof een mier zou kunnen begrijpen waarom je met je vinger het geurspoor doorkruist dat ze aan het volgen is. Misschien uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid om te zien hoe de mieren zullen reageren, of gewoon uit verveling. Maar op welke manier je het ook probeert uit te leggen aan de mier, de mier zal het nooit ofte nimmer begrijpen. Uit de serie blijkt wel dat de OTG wellicht een welbepaald doel voor ogen heeft: mens en cylon laten samensmelten met de bewoners van ‘Aarde 2’ tot een nieuw (en beter?) ras, dat hopelijk niet meer de steeds terugkerende neiging heeft om zichzelf te vernietigen? Als wetenschappelijk experiment, als hobby, wie zal het zeggen. De cirkel van de zichzelf steeds weer herhalende geschiedenis doorbreken.
(Het is leutig om
hierover te fantaseren. Misschien is de OTG wel bezig met een ‘backbreeding’
project. Op aarde doen we dat ook: door middel van kruising van bepaalde
genenpoelen uitgestorven diersoorten terug tot leven proberen te brengen. Zou de OTG een uitgestorven humanoïde soort
proberen terug te brengen? Of zou hij een mensensoort proberen kweken die voor
de verandering eens niét de neiging heeft om telkens weer zijn eigen cylons uit
te vinden en zichzelf te vernietigen. Je weet wel: all of this
has happened before, and all of this will happen again. Daarom test hij nu eerst of de geselecteerde
populaties, mensen en cylons, wel veelbelovend genoeg zijn om mee verder te
werken. Ze moeten dit dus eerst aantonen door de keuzes die ze maken, met
hooguit af en toe een porretje in de juiste richting. Tijd heeft de OTG
alleszins genoeg. Het steekt niet op een jaar of duizend. Soit, dit is maar een
fantasietje van mij en wordt niet bevestigd in de serie.)
Het is vooral wanneer je de serie een tweede keer bekijkt dat het opvalt hoe ontzettend goed het allemaal geschreven is. Vaak zit het sublieme in details die je gemakkelijk mist. Ondanks de veelgehoorde kritiek daaromtrent zijn er eigenlijk amper losse draadjes of verhaallijnen die nergens toe leiden. Op het einde is het meeste netjes ingepakt en afgerond.
Toen ik de serie voor het eerst volledig bekeken had was ik verbluft. Mind-blown. Tot op heden heb ik niks meer gezien dat me zo bij de keel greep en bijbleef. Tien jaar later zit ik er nog steeds over te zeuren. De personages zijn echte mensen, geen stereotypes of karikaturen. Elk personages is goed en elk personage is slecht, maar je leeft intens mee met elk van hen. In die tijd ongezien op tv. De serie stelt belangrijke maatschappelijke en ethische vragen die nog steeds actueel zijn, en dwingt je om daarover na te denken. Er zijn geweldig grappige momenten, er zijn scenes waarbij je van spanning op het puntje van je stoel zit, er zijn scenes waarvan enkel een volstrekte onmens niet minstens een stevige krop in de keel krijgt (‘You know, I know about farming‘) De serie heeft het allemaal. So say we all. Wat mij betreft niet alleen de beste SF-serie ooit, maar gewoon de beste serie ooit. Maar then again, wie ben ik?
Toevoeging 05/01/2021; Vier uitstekende podcasts over de serie Battlestar Galactica:
* https://libertystreetgeek.net/bsg/ (soms ietwat grofgebekt uitweiden met Dean & Matthew – Dean heeft de serie al eerder helemaal gezien – Matthew kijkt voor de eerste keer)
Wil je ook iets kwijt over Battlestar Galactica? Ben je het wel of niet eens met mijn idee over die ‘OTG’? Heb je een eigen al dan niet van de pot gerukt theorietje? Laat het graag weten!