de kerstboom

Ik ben nooit een vreselijk groot voorstander geweest van kerstbomen, kerstslingers, kerstballen en ander kerstgedoe. Doch, op een bepaald moment in het leven ben je dan eindelijk aan vrouw en kinderen geraakt, en gaat het leven nu eenmaal de kant op waar je toegevingen moet doen in het kader van een huiselijke kerstsfeer, of wat daarvoor moet doorgaan. Ik ben daar geen uitzondering op. Enkele jaren lang heb ik het kunnen houden bij een klein, plastieken, van het grofvuil gered kerstboompje. Twee jaar geleden – zo rond begin december 2017 – werd de druk van de gezinsleden te groot, en kochten we een echte levende kerstboom. Het was best wel een mooie kerstboom, en hij verloor amper naalden. Gekweekt in de pot. Na de periode van kerst- en eindejaarsfestiviteiten hebben we die kerstboom buiten gezet, met pot en al, op de plaats die des zomers voorbehouden was aan de uitbundig bloeiende stokrozen. Die prachtige kerstboom zouden we vast en zeker het jaar nadien opnieuw gebruiken! Hij begon gezond en wel verder te groeien, zodanig dat ik besloot om de kerstboom in een grotere pot te zetten om de boom optimaal te laten floreren. De boom maakte nieuwe knoppen aan, en had het kennelijk helemaal naar z’n zin.

Toen begon die bijkans eindeloze droogte van 2018. Aangezien de kerstboom nog in een pot zat, moest die geregeld water krijgen. In die periode moest ik evenwel om de acht weken voor twee weken naar het hospitaal voor een behandeling, en ik had bij één van die hospitalisaties nagelaten om vrouwlief de nodige instructies te geven omtrent het water geven van de kerstboom. Aangezien de vingers van vrouwlief uit zichzelf niet bijzonder groen zijn, had zij daar zelf ook niet aan gedacht. Dus toen ik twee weken later weer naar huis mocht, was de kerstboom helemaal Trumperig oranje in plaats van levendig groen. Morsdood. Hij staat er nu, zoveel maanden later, nog steeds. Het is één van de voorjaarsklussen op m’n to-do-lijstje: wijlen de kerstboom uit de pot halen en sluikstorten in het verwaarloosde bosje naast de even verwaarloosde weide achter ons huis. Terug aan de natuur geven, als het ware. De stokrozen komen terug, ik heb er – wat had je gedacht – nog voldoende zaad van.

De laatste kerst hadden we helemaal géén kerstboom in huis, maar dat is weer een heel ander verhaal.

Groeten,
Guy

Advertentie

Battlestar Galactica

Niks mis met Breaking Bad of the Handmaid’s Tale hoor, en Game of Thrones is naar verluidt ook wel best te pruimen. Maar de beste serie ooit is Battlestar Galactica. De ‘reimagined’ versie van 2003-2008 dan wel, niet het melige gezwets uit 1978.


DISCLAIMER 1: Gaat dit niet over de moestuin misschien? Nee, deze keer niet. Wie enkel wil lezen over mijn geknoei met groensels (wellicht óók niemand) slaat best dit hele stuk over.

DISCLAIMER 2: Voor wie de serie nog niet gezien heeft maar wel van plan is om dat alsnog te doen: héél veel serieuze SPOILERS AHEAD!

De versie uit 1978 had best wel enkele leuke vondsten, en was een verdienstelijke poging om op de toenmalige Star Wars-trein te springen. Als kind zat ik daar heel gaarne naar te kijken, maar écht goed was het niet. Vooral Muffit de robothond werkt danig op een mens zijn kloten. Over de godsgruwelijke vervolgserie ‘Galactica 1980’ gaan we gewoon zwijgen, dat is nog het beste.

Maar die nieuwe reeks: meesterlijk, op elk mogelijk vlak. Ik was verkocht vanaf de openingsscène van de miniserie, die als pilot diende. Uiteindelijk heb ik de hele DVD-box gekocht en heb ik de serie gebingewatcht. Drie keer intussen. En ik heb de cd’s met de fantastische soundtrack. En, joehoe!, nu ook het boek “So Say We All”, samengesteld uit interviews met meer dan honderd mensen die meegewerkt hebben aan Battlestar Galactica.

Het verhaal, het script, de productie, de regie, het acteerwerk, de muziek,… alles is van een geweldig niveau. Zelfs de CGI is heden, nu meer dan 10 jaar technologische hoogstandjes later, echt wel dik in orde.

Wie Battlestar Galactica zegt, zegt ook fenomenale soundtrack. Componist Bear McCreary heeft hier ongelofelijk werk verricht. Luister bijvoorbeeld hier eens naar. De muziek is vaak nadrukkelijk aanwezig en bepaalt sterk mee de beklijvende sfeer van de serie.

Er is een wonderbaarlijke chemie tussen de cast, de regie, de muziek. De betrokken acteurs getuigen zoveel jaar later nog steeds van de uitzonderlijke sfeer op de set, en er zijn hechte vriendschappen voor het leven ontstaan. Zowel voor- als tegenstanders zullen wellicht erkennen dat episodes als “33” of “Exodus – part II” meesterwerkjes zijn, met onmiskenbaar filmische kwaliteit. En belangrijk: de serie werd niet op een bepaald moment stopgezet, maar heeft een einde. Het verhaal is volledig verteld, wat vaker niét dan wel gebeurt in televisieseries.

Nu, over dat einde zijn de meningen wel een beetje verdeeld. Eigenlijk over een groot stuk van de serie. Hoewel voor- als tegenstanders zullen wellicht toegeven dat een episode als ‘33’ één van de beste episodes is van eender welke serie ooit gemaakt, zijn er nogal wat kijkers die afknappen op wat zij een teveel aan ‘deus ex machina’ noemen. Verhaallijnen die zogezegd enkel opgelost worden door onmogelijke goddelijke of bovennatuurlijke wendingen. ‘Goddidit’. Ik ben het daar evenwel volstrekt niet mee eens. Die mensen kennen volgens mij niet veel science fiction, ook al hebben ze mogelijks wel al eens naar Star Trek of Star Wars en dergelijke onzin gekeken. Of ze houden er gewoon niet van.

Reeds in het begin van de serie wordt ons duidelijk gemaakt dat er derden in het spel zijn die zich met onze zaken (en met die van de cylons) bemoeien. Wie, dat wordt niet echt duidelijk gemaakt. Het is heel goed mogelijk dat het de ‘Lords of Kobol’ zijn, of één daarvan, die ver geavanceerde wezens met wie de mensen heel lang zij aan zij op de planeet Kobol woonden. Die zo geavanceerd waren dat zij door de mensen als goden beschouwd werden. In ieder geval: het is duidelijk dat die derde – laat ons die verder de ‘One True God’ (OTG) noemen – een bijzondere interesse vertoont in de toekomst van mens en cylon. En dat die OTG over technologische mogelijkheden beschikt die ons begripsvermogen te boven gaan, en dat pakweg 1000 jaar geen overdreven lange tijdspanne is voor hem (M/V/X). Daar is niks echt goddelijks of bovennatuurlijks aan. Het is zelfs een vaak voorkomend thema in SF. Denk ook aan wat bekend staat als ‘Clarke’s Third Law’: “Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic.”, of ‘Shermer’s Last Law’: “Any sufficiently advanced extraterrestrial intelligence is indistinguishable from God”.

De OTG is niet omnipotent zoals de dekselse Q uit Star Trek. Zelfs niet zo machtig als de ‘Sleeping God’ uit F. Hamiltons ‘The Night’s Dawn trilogie.  Er zijn duidelijk beperkingen aan wat hij kan doen, of het zou voor hem veel eenvoudiger geweest zijn om zijn doel te bereiken. Maar hij heeft wel de mogelijkheid om hier en daar wat bij te sturen en te manipuleren met de hoogtechnologische, voor mens en cylon magische trukendoos waarover hij beschikt.

Een ander voorbeeld zijn de Overlords uit ‘Childhood’s End‘ van SF-grootmeester Arthur C. Clarke. De Overlords, die op hun beurt nog eens overruled worden door een nog meer geavanceerder soort, zo geavanceerd dat het zelfs hún begripsvermogen te boven gaat.  Of de buitenaardse pipo’s die Jodie Foster op onverklaarbare wijze de trip van haar leven bezorgen in ‘Contact’. Je ziet ze niet, maar ze zijn er wel en grijpen echt fysiek in, in de waarneembare realiteit. Ze kunnen zich manifesteren als een vertrouwd maar imaginair personage. Battlestar Galactica is dus zeker niet alleen met het gebruik van zogenaamde ‘head characters’ om contact te leggen en invloed uit te oefenen. In Contact is het de overleden vader van het hoofdpersonage, en in Childhood’s End ontelbare overleden dierbaren over de hele wereld en vooral de overleden echtgenote.

Wellicht zouden sommige kijkers liever zien dat de OTG zijn bestaan niet alleen indirect kenbaar maakte door zijn daden, interventies, en door ‘head’ personages die enkel zichtbaar zijn voor specifieke personen, maar dat hij/zij zich ook gewoon fysiek aan iedereen liet zien. Gelukkig hebben Ron Moore en David Eick dat nooit gedaan. Gedoe met rondzwevende aliens, al dan niet met rubberen schubben en tentakels, zou de serie niet ten goede gekomen zijn. Het zou in ieder geval een heel ándere serie geweest zijn.

Laat ons niet vergeten: in de originele serie uit 1978 kwamen er eveneens bemoeizuchtige wezens met supergeavanceerde technologie aan te pas: de ‘Beings Of Light’. Ook die god-achtige wezens lieten een overleden Starbuck ‘verrijzen’ en wilden de mensheid naar de Aarde leiden. En ook al werd dit vrij knullig geschreven en uitgevoerd, niemand had een probleem met die Beings Of Light.  Wellicht vooral omdat die lichtdinges zich wat uitdrukkelijker fysiek lieten zien, en de boel niet vooral vanachter de schermen manipuleerden zoals de OTG doet.

Op een bepaald moment vond de OTG het blijkbaar wel nodig, om redenen die we nooit zullen kennen of die onkenbaar zijn voor ons, om meer tastbaar bewijs te leveren van zijn bestaan en zijn bemoeizucht. Dat wordt op het einde van de serie door Baltar uit de doeken gedaan, naar aanleiding van de terugkeer van Starbuck, . Maar zich laten zien, nee, dat deed die OTG niet.

Een plezante anekdote is dat hoofdrolspeler Edward James Olmos in een interview liet weten dat hij in zijn contract had laten opnemen dat hij uit de serie zou stappen zodra er rubberen ruimtemonsters aan te pas kwamen.
Het was overigens nooit de intentie van maker Ronald D. Moore om een show met reptielachtig aliens te maken, dat maakte hij van in het begin duidelijk in zijn ‘series bible‘.
Je vindt hier de originele paginas in pdf-formaat: Battlestar Galactica_series_bible, by Ronald D. Moore

Sommige kijkers vinden het ook niet plezant dat de beweegredenen van de OTG niet uitgelegd worden. Ook een onterechte kritiek imho. Alsof wij de beweegredenen en motivaties van een extreem intelligent en geavanceerd wezen zouden kunnen begrijpen. Alsof een mier zou kunnen begrijpen waarom je met je vinger het geurspoor doorkruist dat ze aan het volgen is. Misschien uit wetenschappelijke nieuwsgierigheid om te zien hoe de mieren zullen reageren, of gewoon uit verveling. Maar op welke manier je het ook probeert uit te leggen aan de mier, de mier zal het nooit ofte nimmer begrijpen. Uit de serie blijkt wel dat de OTG wellicht een welbepaald doel voor ogen heeft: mens en cylon laten samensmelten met de bewoners van ‘Aarde 2’ tot een nieuw (en beter?) ras, dat hopelijk niet meer de steeds terugkerende neiging heeft om  zichzelf te vernietigen? Als wetenschappelijk experiment, als hobby, wie zal het zeggen. De cirkel van de zichzelf steeds weer herhalende geschiedenis doorbreken.

(Het is leutig om hierover te fantaseren. Misschien is de OTG wel bezig met een ‘backbreeding’ project. Op aarde doen we dat ook: door middel van kruising van bepaalde genenpoelen uitgestorven diersoorten terug tot leven proberen te brengen.  Zou de OTG een uitgestorven humanoïde soort proberen terug te brengen? Of zou hij een mensensoort proberen kweken die voor de verandering eens niét de neiging heeft om telkens weer zijn eigen cylons uit te vinden en zichzelf te vernietigen. Je weet wel: all of this has happened before, and all of this will happen again.  Daarom test hij nu eerst of de geselecteerde populaties, mensen en cylons, wel veelbelovend genoeg zijn om mee verder te werken. Ze moeten dit dus eerst aantonen door de keuzes die ze maken, met hooguit af en toe een porretje in de juiste richting. Tijd heeft de OTG alleszins genoeg. Het steekt niet op een jaar of duizend. Soit, dit is maar een fantasietje van mij en wordt niet bevestigd in de serie.)

Het is vooral wanneer je de serie een tweede keer bekijkt dat het opvalt hoe ontzettend goed het allemaal geschreven is. Vaak zit het sublieme in details die je gemakkelijk mist. Ondanks de veelgehoorde kritiek daaromtrent zijn er eigenlijk amper losse draadjes of verhaallijnen die nergens toe leiden. Op het einde is het meeste netjes ingepakt en afgerond.

Toen ik de serie voor het eerst volledig bekeken had was ik verbluft. Mind-blown. Tot op heden heb ik niks meer gezien dat me zo bij de keel greep en bijbleef. Tien jaar later zit ik er nog steeds over te zeuren. De personages zijn echte mensen, geen stereotypes of karikaturen. Elk personages is goed en elk personage is slecht, maar je leeft intens mee met elk van hen. In die tijd ongezien op tv. De serie stelt belangrijke maatschappelijke en ethische vragen die nog steeds actueel zijn, en dwingt je om daarover na te denken. Er zijn geweldig grappige momenten, er zijn scenes waarbij je van spanning op het puntje van je stoel zit, er zijn scenes waarvan enkel een volstrekte onmens niet minstens een stevige krop in de keel krijgt (‘You know, I know about farming‘) De serie heeft het allemaal. So say we all. Wat mij betreft niet alleen de beste SF-serie ooit, maar gewoon de beste serie ooit. Maar then again, wie ben ik?

Groeten,
Guy

Naschrift: voor de fans van de soundtrack van Bear McCreary -> opvoering door “Bear McCreary And The Battlestar Orchestra (één van de gitaristen is de broer van Bear McCreary, en zangeres Raya Yarbrough is zijn vrouw) Niet steeds muzikaal perfect uitgevoerd, maar ik krijg er kippenvel van.
Of dit concert met een symfonisch orkest.

Toevoeging 05/01/2021;
Vier uitstekende podcasts over de serie Battlestar Galactica:

* https://libertystreetgeek.net/bsg/
(soms ietwat grofgebekt uitweiden met Dean & Matthew – Dean heeft de serie al eerder helemaal gezien – Matthew kijkt voor de eerste keer)

* https://www.podbean.com/podcast-detail/iq3e8-c9518/Battlestar-Recaptica-Podcast
(met de lollige Rick & Dave) (en met ergens in één van de afleveringen een kleine vermelding van ondergetekende😉)

* https://art19.com/shows/battlestar-galacticast
(met actrice Tricia ‘Six’ Helfer en televisieschrijver en -journalist Marc Bernardin

* https://www.setconditiononethroughoutthepodcast.com/


Wil je ook iets kwijt over Battlestar Galactica? Ben je het wel of niet eens met mijn idee over die ‘OTG’? Heb je een eigen al dan niet van de pot gerukt theorietje? Laat het graag weten!

overal zaad

Het zorgt voor extra lochtingleute dat ik zoveel mogelijk zelfgewonnen zaad ga gebruiken. Néé, viezeriken, ik heb het uiteraard over plantenzaad. Zo heb ik voorgaande jaren zaadjes gedroogd van verschillende soorten tomaten, prei, pompoen, tijm, rucola, paprika, pepertjes, radijsjes, en een verscheiden assortiment bloemen. En doornappel. Een vreselijk giftig heksenplantje maar wel erg mooi. Op een dag zag ik een mooie grote bloem in ons voortuintje die later een even mooie stekelige zaaddoos tsjokvol zaadjes vormde. Dit plantje en de zaadjes zijn erg giftig, en voor sommigen een (uiterst onberekenbare!) hallucinogene drug die je een overdosis kan bezorgen alsof het allemaal niks is. Het zal dus louter voor decoratief gebruik zijn.

De zaadjes van de tomaten, paprika en de hete pepertjes werden gewoon op een velletje keukenpapier gedroogd. Vorig jaar had ik geen prei gezaaid, edoch schoot er ergens één eenzame preistengel uit de grond. Die heb ik laten opschieten en bloeien tot er zo’n mooie bol met zaad op kwam. En dan gewoon de zaadjes eruit roefelen boven een potje. Rucola: enkele stengels laten bloeien en nogal snel vormt dat zaad als gek. Idem met peterselie en dille. Ook ga ik proberen of die oude mange-touts en staakbonen nog levensvatbaar zijn. Datzelfde ga ik ook testen met dat minstens 15 jaar oude zaadje van c. sativa dat ik vond bij het uitkuisen van een rommelschuif. Uiteraard ook enkel voor decoratief gebruik, dat spreekt vanzelf .

Vaneigenst zal ik voor sommige zaken zaadjes moeten kopen in de winkel. Zoals mijn geliefde overheerlijke rode bieten, en rode kool, sla, radijzen, warmoes, suikerbrood, chinese kool, komkommer….
Ik zou ook gaarne voor het eerst enige aardperen planten en tuinbonen zetten. Geen wortelen of patatten of pompoen meer. Wortelen hebben het in het verleden nooit echt goed gedaan in mijn klein lochtingske, en patatten vind ik saai en dat neemt relatief veel plaats in als je een deftige hoeveelheid wil hebben. Ook geen pompoenen. Vorig jaar heeft vrouwlief twee pompoenplantjes gekocht om het toen nogal verwaarloosde lochtingske toch enigszins te benutten en overmatige onkruidgroei te beperken. Dat gepompoente nam na een tijdje meer dan de helft van mijn lochtingske in beslag. We hadden wel keiveel enorme pompoenen. Bleek dat vrouwlief, mede door de omstandigheden, niet van zinnens was om die pompoenen te gebruiken. Bijna allemaal weggegeven dan maar. En zo waren de buren ook weer content. De laatste (pompoenen) liggen nog steeds ter plekke te rotten. Normaal gezien zou ik in oktober minstens één pompoen een creatieve Halloweenbehandeling gegeven hebben, maar ik was in die periode in een Leuvens ziekenhuis nogal druk in de weer met – letterlijk – te leren om opnieuw op m’n poten te staan na m’n longtransplantatie.

Groeten,
Guy

 
-“Zeg hebt gij niet wat veel noten op uw zang met zo’n toch wel bescheiden lochtingske?”
-“Ja, maar ik kweek van niks echt veel. Alleen zeker meer dan genoeg tomaten, rode bieten en rode kool.”
-“Ge moet het precies nogal hebben van rood.”
-“Ja, maar soms stem ik ook op groen. Ge moogt in niks fanatiek zijn vind ik.”

‘maar waarom?’

“Maar waarom zaait ge daar geen schoon pelouzeke in de plaats? Dan hebt ge een grotere tuin. Ook veel minder werk aan en veel plezanter voor de kinderen” werd me wel al eens goedbedoeld gevraagd, alsof die gedachte nooit eerder bij mezelf opgekomen was.

Wel ten eerste, ik wil geen groter schoon pelouzeke. Mijn pelouzeke is groot genoeg. Je kan desgewenst met een hele hoop mensen in de tuin zitten zonder een benepen gevoel te hebben.
Ten tweede, de kinderen zijn meer geïnteresseerd in zitten klooien op elektronische schermpjes van elk mogelijk type en formaat, dan dat ze in de tuin zouden spelen. En ten derde: ik hou van mijn klein lochtingske.

Het is vroeger altijd een droom geweest om ‘later’ een lochtingske te hebben waar ik enige groensels en wat kruiden kan kweken, en waar ik een stuk of wat kiekens kan huisvesten. Budgettaire beperkingen noopten me toen tot het wonen in een beluikhuisje met een piepklein koertje, maar sedert 14 jaar is ‘later’ toch realiteit geworden. Heel erg groot en indrukwekkend moest het allemaal niet zijn, huis noch tuin, en dicht bij m’n werk is natuurlijk ook wel een pluspunt van jewelste. Mogelijkheid om vrouwlief en een koppel kinderen te huisvesten, op nog geen tien minuten met de fiets op het werk, en een bescheiden tuintje. Wat groenten en kruiden kunnen kweken, en nog voldoende plaats voor een kiekske of tien, kinderen niet inbegrepen. Ikke blij.

Ik ben altijd al zot geweest van plantjes en beestjes. Als kind bracht ik van elke boswandeling wel enkele eikels en kastanjes mee die ik dan thuis plantte, en bestudeerde ik zowat elk insect en ander ongedierte dat zich in m’n nabije perimeter waagde. Er staan in Gentbrugge nog steeds eiken die ik daar meer dan 40 jaar geleden liet ontkiemen. En wellicht kruipen daar ook nog nakomelingen rond van huisjesslakken waarvan ik de eitjes ooit in zo’n 2,5 liter ijskreemdoos van Ijsboerke liet uitkomen.
In de tuin bezig zijn brengt me sereniteit en rust. En ontzag voor en voeling met die wonderbaarlijke natuur. Zelfs het ontkiemen van het petieterigste zaadje boezemt me verwondering in. Ik kan ervan genieten om een zonnige namiddag op het gemak bezig te zijn in mijn klein lochtingske, en in de late namiddag het gedane werk en de groeiende planten te zitten overschouwen, onderwijl in het zonnetje slurpend van een frisse Duvel. Ik ben nog niet zeker wat m’n … euh … gewijzigde fysieke toestand al dan niet zal toelaten, maar ik maak me daar niet al te veel zorgen over. Het zal zeker allemaal wat minder snel gaan, maar ik heb meer tijd ter beschikking. En je kan het fysieke werk als onderdeel van de revalidatie beschouwen.

Het is ook kwee-nie-hoe plezant om maaltijden te eten met ingrediënten die ‘recht uit den hof’ komen. Een koude schotel met zes soorten groenten die je net uit je eigen tuin geplukt hebt, en met gekookte vers bij de kiekens geraapte eitjes: zalig toch?
En ja, het is gezond en beter voor het milieu en al, jaja dat ook.

Groeten,
Guy

plastieken brol

Ik krijg steeds meer een aversie tegen plastieken brol. Brol gemaakt van een materiaal dat bedoeld is om heel lang mee te gaan, die brol één keer gebruiken, in de vuilbak zwieren, om vervolgens precies dezelfde plastieken brol weer in huis te halen. Plastieken verpakkingen bijvoorbeeld. Of je kan zelfs speciaal nieuwe plastieken spullen kopen voor dingen die je even goed, of zelfs beter, kan doen met de plastieken brol die je zopas in de afvalbak gekieperd hebt.
Zo gebruik ik allerlei plastieken bakjes om plantjes in te zaaien wanneer het buiten nog te koud is. Lekker waterdicht, en je kan ze gebruiken als handige microserre om zaadjes te laten ontkiemen terwijl de aarde mooi vochtig blijft.

Vrouwlief is geen al te  grote fan van mijn verzameling plastieken brol, maar ik heb een klein stukje van de kasten in het waskot geclaimd om mijn plastieken brol in te bewaren. Het is al erg genoeg dat de esthetiek in onze woning danig ontsierd wordt door mijn zaaiperikelen op radiatoren en vensterbanken. Ik moet wel toegeven dat deze verzameling plastieken brol een op korte tijd bij mekaar verzameld zootje is. Het ziet er niet uit. Maar tegen volgend seizoen heb ik vast een mooier ogende collectie plastiekafval bij mekaar!

Zodra de weersomstandigheden niet meer te arctisch zijn, kan de boel grotendeels naar mijn kleine serre verhuizen. (Ik heb een kleine maar warme serre, eveneens heeltegans gemaakt van ‘afval’: de zijkanten bestaan uit 8 afgedankte draai-kipramen met dubbel glas van een meter breed en twee meter hoog. Vrij klein dus, maar op 4 m² kan je echter al leutige dingen doen. Eén raam doet dienst als deur, en van de overige ramen zijn er vier die nog in kipstand kunnen voor voldoende ventilatie in de zomer. Het dak bestaat uit dubbelwandige polycarbonaatplaat van een afgebroken veranda van de buren. Maar goed, we wijken af.)

In die plastieken bakjes zet ik dan geïmproviseerde minibloempotjes die dan weer van een ander soort brol gemaakt zijn, namelijk kartonnen brol. Dit jaar experimenteer ik voor het eerst met in twee geknipte wc-rolletjes alsook met kartonnen eierdoosjes. Ik weet dat we die wc-rolletjes en eierdoosjes zo ijverig mogelijk ter recyclage bij het oud papier en karton dienen te verzamelen, maar mijn (her)gebruik lijkt me ook wel een mooie bijdrage tot het redden van het milieu en bij uitbreiding de hele wereld. Bovendien is dat karton eigenlijk te slecht van kwaliteit om veel waarde te hebben in het recyclageproces. Maar we wijken weer af.

De bedoeling is dat, zodra de plantjes klaar zijn om in volle grond geplant te worden, dat met ‘potje’ en al gebeurt. Hierdoor worden de wortels niet verstoord bij het uitplanten. Het karton verteert dan ter plekke zonder de betreffende flora noemenswaardig te hinderen in haar verdere ontwikkeling. Enfin, dat is de theorie. Volgens het Wonderbaarlijke Wereldwijde Web zou dat moeten lukken. De praktijk in mijn klein lochtingske moet evenwel nog blijken.

Update 22/04/2019: Ik heb intussen al een aantal plantjes in wc-rolletjes en eierdoosjes verspeend. De eierdoosjes vallen uit mekaar bij het losscheuren. De rolletjes kan je netjes (evenwel voorzichtig) apart oppakken en in een bloempotje of volle grond steken met karton en al; ook al is het karton reeds half verteerd. Soms komen er al wortels dwars door. De eierdoosjes zijn ook erg ondiep, weinig plaats om worteltjes te vormen.
Besluit: fuck de eierdoosjes. voortaan gebruik ik enkel nog wc-rolletjes.

In januari heb ik al met succes peper (foto links) voorgezaaid, alsook de traditionele ‘stinkers’ oftewel ‘ Tagetes’ oftewel ‘Afrikaantjes’ (foto rechts) die aaltjes weghouden en in geen enkel zichzelf respecterend lochtingske groot of klein mogen ontbreken. Vroege preischeutjes heb ik ook al, die zijn nu verhuisd naar een koudere vensterbank. Tegen beter weten in heb ik het gedurende de eerste helft van januari ook eens met sla en rucola geprobeerd, maar het was nog te vroeg. Het ontkiemt dan wel, maar het worden lange sprieten die snel afsterven. De dagen zijn nog te kort, te weinig zonlicht. Mijn moeder zei het me vroeger al, en ze zegt het nog steeds: ik ben soms nogal eigenwijs. Ook de pot met radijzen was geen succes. Silly me. In februari zou het moeten lukken.

Groeten,
Guy


UPDATE 06/02/19: De preischeutjes hebben intussen ook de geest gegeven. Begin februari opnieuw gezaaid. Zaaien in januari heeft dus een nogal hoog ‘fok dees’ gehalte. Enkel de pepers en tagetes waren succesvol. De hoeveelheid plastieken brol aan die vensterbank is intussen al wat uitgebreid. Het begint daar wat uit de hand te lopen. Tot hier toe wordt het nog getolereerd door vrouwlief. Nog een week of twee en dan kan een groot deel van die reutemeteut naar de serre verhuizen.

nog meer winterpret met avocado en ananas

Ik zou mezelf niet zijn mocht ik maat kunnen houden. Nu mangopitten blijken te ontkiemen en (voorlopig) levensvatbare plantjes blijken te genereren, kon het niet daarbij blijven. Dus moest ik het ook eens met avocado proberen. Nu vind ik avocado een beetje de mozzarella van de plantenwereld: fletse pulp wanneer niet gecombineerd met iets anders om het lekker te maken. Anyway, ik heb er een slaatje mee gemaakt dat nog net binnen de grenzen van het enigszins eetbare viel. Maar het ging me in dit geval vooral om de pitten. Omwille van wat ik las over het bestralen van mango’s en de nefaste invloed op de overlevingskans van de pitten, kocht ik deze keer wel ‘biologische’ avocado’s. Ik weet niet of ook avocado’s bestraald worden, maar ik nam het iets minder onzekere voor het onzekere.

Twee stuks heb ik er. De ene avocadopit hangt in een vaasje half in het water volgens de tandenstokermethode. Die methode heb ik van het www, dat wereldwijde web vol wetenschap, wijsheid en vooral dwazekloterij. De andere in een afgedekt bloempotje met vochtige aarde, de bovenste helft uitstekend boven de aarde.

De foto heb ik genomen zonder het plastiekske dat erop ligt om de aarde vochtig te houden. Zodat de avocadopit goed zichtbaar zou zijn. Donkerbruine pit op donkerbruine aarde … goed zichtbaar … yeah right. Ze staan allebei op een gezellig warme plek op de radiator. Ik ben benieuwd welke het eerst zal ontkiemen. Dat kan, het is van horen zeggen, behoorlijk lang duren, tot drie maanden. Ik laat het resultaat wel weten. Geen idee aan wie, want voorlopig weet niemand iets van het bestaan van deze blog.

En dan is er dus ook de ananas. In tegenstelling tot de avocado hemels lekker op zichzelf. Dat kan je blijkbaar tot een ananasplant laten uitgroeien. De groene kroon afsnijden (of gewoon afdraaien, een beetje zoals mijn grootvader een duif de kop afdraaide), restjes vruchtvlees afsnijden, de onderste blaadjes aftrekken, en een centimeter of twee in water steken op een warme plaats tot er voldoende wortels aan zijn om in een bloempot te kunnen planten. Je raadt het al, die radiator staat hier soms goed vol. Ik las dat dit gemakkelijk kan uitgroeien tot een heuse ananasplant waaraan na één tot drie jaar daadwerkelijk een vers eetbaar ananasje groeit. En zo draait de kringloop van het leven – hakuna matata nog aan toe – eeuwig zijn rondjes.

Ik zal m’n enorme schare lezers hieronder verder op de hoogte houden van het verloop van de experimentjes.

Groeten,
Guy

Pogingen om een avocadopit op te kweken:
1ste poging, 18/01/19
Pit met tandenstokers in een bokaal water op de radiator gezet. 08/03/19: nog steeds niks. 22/04/19: nog steeds niks. De pit ziet er maar belabberd uit. -> RIP.

2de poging, 18/01/19
Pit in bloempotje met aarde gestoken (half boven de aarde) en op de radiator gezet, afgedekt (niet luchtdicht) om goed vochtig te houden. Ontkiemd op 12/02/19. Het plantje nam en mooie start, maar toen werden de bladeren bruin. Ik heb nog geprobeerd het plantje te redden door het uit direct zonlicht te zetten, het kwam er door en kreeg nieuwe blaadjes, maar het stierf dan toch -> RIP

3de poging, 06/07/2021

4de poging, 06/07/2021 (samen met nr.3 begonnen)

Pogingen om een ananasplant op te kweken:
1ste poging, 22/01/19
Deze had een kleine kruin die er al wat verdord uitzag. Op de radiator in een bokaal water gezet. Ik ververste het water om de enkele dagen. Het kruintje leek te verdorren, maar een eerste worteltje was zichtbaar op 5 februari, JOEHOE! Op 8 maart heb ik voorzichtig de onderste verdorde blaadjes afgetrokken (in het midden werden reeds nieuwe blaadjes gevormd) en het kruintje in een bloempotje met compostmengeling gestoken. Een jaar later: het plantje leeft nog, maar groeit wel langzaam.

2de poging, 13/02/19
Deze had een grotere en groenere kruin. Zelfde werkwijze: op de radiator gezet in een bokaal met water. Water regelmatig verversen. 08/03/19: de blaadjes zijn verdord maar nog geen wortels te zien. 22/04/19: nog steeds geen worteltjes te zien – weggegooid -> RIP.

3de poging, 01/05/19:
Klein en fris ogend groen kruintje, zelfde behandeling, maar ook deze werd niks -> RIP

– 4de poging, 21/04/2020:
Klein groen kroontje, werd echter heel snel bruin en het hartje kwam los – desondanks na een week worteltjes zichtbaar

– 5de poging, 24/02/2021:
Na twee dagen begint het water te stinken – begon te rotten -> weggegooid -> RIP

– 6de poging, 09/12/2021:
Met mini-ananasje -> begon te rotten -> RIP

– 7de poging, 24/02/2021:

pre-lochtingseizoenpret met mango’s

Het is januari, het vriest en het sneeuwt en er is nu niks te doen in de tuin. Sowieso doe ik daar niks tot half febuari, en al zeker geen winterkuis. Daar is allerlei beesterij bezig aan een winterslaap, en wie ben ik om dat te gaan verstoren. Als je een pad midden in de winter wakker maakt en van zijn plekje verdrijft, overleeft die wellicht niet. Ook in de serre (een kleine serre natuurlijk, want het is dus een klein lochtingske) slaapt Pedro de pad onder de groenafvalemmer. Maar we wijken af. Er is dus geen hol te doen in den hof.

Doch kan ik het echt niet laten om al te zitten prullen met plantjes. Wat je in zo’n geval bijvoorbeeld kan doen is proberen om een mangopit te laten ontkiemen, of een avocadopit, of een ananasplant te laten groeien. Ik ben begonnen met de mango. Ik eet al gaarne eens een mango, en dan blijft er telkens een joekel van een pit over. Daarmee kan je aan de slag.

Het harde omhulsel van de pit hangt vol met glibberige vezels en restjes vruchtvlees. Als je dat zomaar in de grond stopt gaat dit wellicht rotten en schimmelen. Bovendien werd de mango wellicht onrijp geplukt, nog vóór de pit maximaal ontwikkeld is. Ook worden mango’s na het plukken vaak bestraald om insecten te doden en het rijpingsproces te vertragen, wat nadelig is voor de kiemkracht. Hierdoor is de pit vaak niet krachtig genoeg om het stevige omhulsel te breken.  Dus gaan we wat helpen door dat omhulsel voorzichtig te verwijderen. In veel gevallen zit er ergens aan de rand reeds een zwakke plek, waarlangs je het omhulsel gewoon met de vingers kunt openbreken. Gebruik je toch een mes of een schaar, let dan op dat je de pit aan de binnenkant niet beschadigd, alsook jouw vingers. Rond de pit zit soms ook nog een bruin vlies. Dat mag je ook verwijderen als het enigszins los zit, het gaat anders toch maar rotten. Naar verluidt krijgen sommige mensen een branderig gevoel aan de handen wanneer ze een naakte mangopit vastgepakt hebben. Ik had daar geen last van.

Na de pit voorzichtig afgespoeld te hebben, leg ik ze op een warme plaats in een schaaltje met water, zodat ze ongeveer de helft onder water zitten. Die warme plaats was bij mij gewoon bovenop de radiator. Niet laten uitdrogen! Als alles goed gaat komt er na enkele dagen of weken een worteltje piepen.

Dan is het tijd om de pit in een bloempot met vochtige aarde te steken. Neem geen al te klein potje, 12 à 13 cm diameter is echt wel het minimum. Ik stak het piepende worteltje naar beneden, de bolle kant van de pit naar boven De pit hoeft niet helemaal onder de grond te zitten.  Ik laat dat potje dan op dezelfde warme plek staan, en zorg dat de aarde niet uitdroogt door er een doorzichtig dekseltje op te leggen. Een stukje huishoudfolie kan natuurlijk ook. Zorg gewoon dat het niet heeltegans luchtdicht afgesloten is.

Na een week of twee kom er dan (hopelijk) een scheutje tevoorschijn. Het kan ook langer duren, maar als het echt véél langer duurt kijk je best eens of de hele reutemeteut niet gewoon verrot is.
Zodra er een noemenswaardig scheutje gegroeid is en de eerste blaadjes zich beginnen te ontwikkelen kan je het plantje maar beter verhuizen naar een plaats met genoeg zonlicht. Door de bestraling van de vrucht is de kans groot dat de pit wel ontkiemt en begint te groeien, maar na enkele bladeren al sterft. De slaagkans is groter met een biologische (onbestraalde) mango.  Zet het plantje niet op een plaats waar het kouder dan 18°C is.

Hieronder zal ik bijhouden hoe het met m’n mangoprobeersels afloopt. Ik zal dat regelmatig updaten, met foto’s en zo.

Groeten,
Guy

M’n pogingen om een mangopit op te kweken:
1ste poging, begin december ’18
Ik heb de pit in een schoteltje water voorgeweekt tot er scheutje tevoorschijn kwam, en dan in afgedekt bloempotje op radiator gezet. Na vier weken bleek te pit rot te zijn -> RIP.

2de poging, midden december ’18
De pit enkele dagen voorgeweekt. Het ontkiemde vrij snel, en na het ontkiemen heb ik het direct in een potje met aarde gestoken. Het groeide en er kwamen twee bladeren, maar toen en begon het af te takelen -> RIP.

3de poging, eind december ’18
Zelfde scenario: enkele dagen voorweken en na ontkoiemen in bloempotje potje met aarde gestoken. Toen er vier bladeren aan stonden, werden deze ineens heel slap. Ik heb het plantje dan op een zonniger plaats gezet, en het fleurde weer op. Na bijna een jaar was de plant één lange stengel van een meter hoog. Ik heb het plantje serieus ingekort om zijstengels te laten groeien.

Buitengezet & vrieskou -> RIP.

4de poging, midden januari ’19
Opnieuw dezelfde werkwijze. Het scheutje groeide een tweetal 2 cm hoog, maar begon na drie weken af te takelen -> RIP.

5de poging, 7 februari ’19
Pit in een bakje met een bodempje water op de radiator geplaatste. Een week later hing er al een centimeter wortel aan. Ik heb de pit toen hoger in potje gehangen, met enkel de wortel in het water, zodat de wortel verder in het water naar omlaag kon groeien. (Met gebruikmaking van twee satestokjes en zo’n netje waarin lookbollen in de winkel verpakt zijn.) Op 8 maart heb ik het in een bloempotje geplant in een compostmengeling. 17 maart: WTF, er begint precies een heel bos uit die pit te groeien! Enig speurwerk op het WWW leerde me evenwel dat dit normaal is. Mangopitten kunnen ‘polyembryonaal’ zijn en tot vier scheuten voortbrengen (wat hier het geval is).

Buitengegooid -> RIP.

6de poging, 05 maart ’19
Pit laten voorweken in schaaltje water op de radiator, en na drie dagen in een potje met compostmengeling gestoken. Nog eens twee weken later was het ontkiemd. Wegens het mooie weer, en ook omdat er in huis reeds twee exemplaren stonden, in de serre gezet. Nog eens een maand later begon het plantje bruin te worden. Ik haalde het voorzichtig uit het potje, en het bleek geen wortels ontwikkeld te hebben -> RIP.

-7de poging, april 2020

-8ste poging, april 2020

-9de poging, april 2020

-10de poging, november 2020
Ik was niet van plan om nog meer mangopitten te planten, maar deze pit zag er zo welgevormd en gezond uit dat ik het niet kon laten.