Ik ben eigenlijk een beetje lui. Al sedert het begin van 2022 denk ik: “Het is vast leuk om nog eens iets te schrijven, misschien over dit en dat, en niet te vergeten over si en la”. Het moestuinseizoen is intussen over de helft – de dagen zijn alreeds aan het korten – doch het kwam er niet van. Nochtans vond ik steeds meer onderwerpen waarover ik wel meer wou vertellen, aan iedereen en aan niemand in het bijzonder, wat in de praktijk evenwel neerkomt op nagenoeg niemand. Ik zou me kunnen uitsloven om allerlei excuses te verzinnen, maar daarvoor ben ik te lui. Wat al bij al ook gewoon ook de reden is waarom ik niks schreef. Dus waarom ook excuses verzinnen? Ik ben lui, punt.
Overigens is luiheid is volgens mij een onderschatte eigenschap. Van opleiding ben ik ingenieur. Wat is de voornaamste taak van een ingenieur? Zo veel mogelijk bereiken met zo weinig mogelijk energie. Wanneer dat lukt, noemt men dat doorgaans vooruitgang, in plaats van luiheid – al wil ik die zienswijze niet zover rekken dat ik bijgevolg gewoon vooruitstrevend zou zijn, en niet gewoon eerder lui. Ik neem genoegen met een mengeling van beide.
M’n luiheid nam overigens geen vorm aan waarin ik me in absolute ledigheid hulde. Ik observeerde de insectjes op m’n kleine erf, poetste al eens de ramen van m’n bescheiden woonstede, vulde geregeld de vaatwasmachine op enorm efficiënte wijze, en begon een Youtubekanaaltje. Een Youtubekanaaltje waar een nogal bescheiden hoeveelheid aan ‘content’ te aanschouwen valt, en nog behoorlijk amateuristisch ook, want ja: lui en zo.
Maar dat neemt natuurlijk allemaal niet weg dat ik nog vanalles ga schrijven, over dit en dat, en niet te vergeten over si en la.
Groeten, Guy
(foto bovenaan: bruin blauwtje op bloem van oregano – 12 juli 2022)
Hommel, hommels, hommels! Het zou een boze uitroep van de kwaadaardige Baron van Neemweggen kunnen zijn, maar het is wat ik des zomers in ons voortuintje aantref, wanneer de oregano en het bonenkruid het op een uitbundig bloeien zetten, en de hommels daar al even uitbundig rondzoemen, begerig naar een portie verse nectar. Ik tracht om de verschillende soorten hommels in de tuin op het zicht te herkennen, vooralsnog met wisselend succes. Gelukkig hebben we het Wereldwijde Web van Wijsheid (en helaas tevens van enorm veel Dwazekloterij – maar dit volkomen terzijde) te onzer beschikking om ons daarin bij te staan. Ik maak me sterk dat ik nu wel de zes hommelsoorten kan herkennen die te onzent het vaakst voorkomen, met een nauwkeurigheid die vermoedelijk significant hoger is dan gokken. Een mens moet érgens beginnen.
akkerhommel (?) en aardhommel op bonenkruid
In 2021 werd ik voor de eerste keer in m’n 52-jarige leven gestoken door een hommel. Ik was namelijk een hommelnest aan het molesteren. Sta me toe hier enige duiding bij te geven. M’n kleine lochtingske wordt aan een zijde begrensd door een greppel waarin nogal wat brandnetels groeien. Elk jaar trek ik daar een hoop wortelstokken uit de grond, omdat anders de moestuin vol brandnetels komt te staan. Pesticiden mijd ik liever als de pest. Op een bepaald ogenblik zat ik vlakbij een onopgemerkt aardhommelnest te klooien, en dat lieten de beestjes me met aandrang weten. Ik neem het de diertjes niet kwalijk. Zelf zou ik wellicht veel harder steken, mocht een onverlaat onze gezinswoning komen vernielen. In ieder geval mocht ik mezelf gelukkig prijzen dat hommels behoorlijk zachtaardige beestjes zijn.
Nu ben ik het principe “potje breken, potje betalen” niet helemaal ongenegen, maar dat is niet de reden waarom ik besloot om een hommelkastje te maken. Hommels zijn mooie en nuttige dieren, en hun leefwereld wordt steeds meer bedreigd – en daarmee bedoel ik niet door occasionele onvoorzichtige brandnetelverwijderaars, voor alle duidelijkheid. In 2021 verdween een heel stuk groen met sterk gevarieerde biotoop in onze straat, ten bate van een projectontwikkelaar die de grond ooit voor een appel en een half ei op de kop tikte. Opnieuw minder ruimte voor bijen, hommels, padden, egels en nog veel meer lokale fauna en flora. Een enorm verschil zal een bijenhotel hier en een hommelkastje daar weliswaar niet maken, maar toch. Je mag het gerust een druppel op een hete plaat noemen, maar het is MIJN druppel op de hete plaat. Bovendien ben ik zot van beestjes, en ik zit ook nog eens graag te bricoleren met allerlei afvalrommel om er alsnog iets nuttigs van te maken.
In dit geval bestond die rommel uit planken van een wegwerppallet, een restje betonplex, een lade van een afgedankt bureaumeubel, de hoeken van een wegwerpfruitkistje, de glasplaat van een gesloopte printer/scanner, een restje hoekprofiel van een badkamerklus, en een injectiespuit van 20 ml.
een hoop rommel
Ik wou bij voorkeur een hommelkast met mogelijkheid om de hommels te begluren tijdens hun private bezigheden. De helft van de glasplaat leek me een geschikt formaat, dus sneed ik de glasplaat doormidden als basis voor alle andere afmetingen. Gemakshalve ga ik ervan uit dat het die beesten geen moer kan schelen of het allemaal een centimetertje meer of minder is. De ingangsopening leek me wel belangrijk. Volgens lui die er meer verstand van hebben dan ik, kruipen hommels graag door holletjes, en neem je maar beter een diameter tussen 16 en 20 mm – vandaar die uit de kluiten gewassen spuit.
We hebben een ‘buitenbak’ en een ‘binnenbak’ met daartussen een voorkamer. De binnenste bak, waar het eigenlijke nest komt, maak je zeker met onbehandeld hout. De openingen staan niet recht tegenover elkaar. De buitenopening heeft een platformpje om te landen en op te stijgen. Het binnenste nest is gevuld met droog mos en wat gebruikt strooisel uit het kippenhok, als nestmateriaal. (klik op de foto’s om te vergroten)
In de binnenste bakje zijn gaatjes geboord onder het nestmateriaal. Onderaan het nestbakje is er ventilatieruimte, wat gemakkelijk te maken was door de juiste stukken uit de bureaulade te zagen. Achteraan de buitenkast zijn gaatjes geboord. Zo kan overtollig vocht beter weg.
De bovenkant van het nestbakje komt 3 mm lager dan de bovenkant van de buitenbak, zodat de glasplaat er nog boven past. Het glas ligt dus veilig in de buitenbak en op het binnenste nestbakje.
Laat het nestbakje niet precies in de buitenbak passen. Hout ‘leeft’ en de kans is groot dat je de nestbak later niet meer uit de buitenbak krijgt. Ik heb de nestbak in de buitenbak vastgeklemd met twee stukjes plastiek die je gemakkelijk kan verwijderen.
Het dakje is een stuk watervaste plaat (‘betonplex’). Van een klusje in de badkamer had ik nog een stuk kunststof hoekprofiel over. Dat kan prima dienen om te zorgen dat het deksel op de hommelkast blijft zitten, en dient ook als druiprand. (De enige reden waarom er ook een smaller stukje op zit, is dat ik niet genoeg rest had van het bredere profieltje.)
?
Om het kastje hopelijk aantrekkelijker te maken voor hommels, heb ik de ingang wat kleur gegeven. De gebruikte verf is onschadelijke verf van de tijd dat onze kinderen nog kleuters waren. Wat vliegt de tijd. Gisteren waren het nog peuters, vandaag zijn het opgeschoten pubers en morgen danken ze ons alreeds af om ergens een eigen leven te gaan leiden. De potjes met geel en blauw, de kleuren waartoe hommels zich naar verluidt het meest aangetrokken voelen, waren toevallig de enige potjes waarin de verf nog niet helemaal verhard was.
Het hommelkastje staat alvast op tijd klaar op een beschutte plaats. Vanaf eind februari beginnen hommelkoninginnen op zoek te gaan naar een nestplaats. Of m’n knutselwerk daadwerkelijk gebruikt zal worden door hommels? Dat zullen we pas na het voorjaar weten.
Groeten, Guy
PS: Ik heb een geschikte terracotta bloempot gevonden om een hommelnestplaats met een omgekeerde bloempot te maken, zoals hier beschreven: https://landlooper.nl/hommelkasten/ Maar dat is voor een andere keer.
PS2: Mocht iemand dit lezen en denken “Hohoho, maar dat heeft die gozer helemaal verkeerd gedaan!”, laat het me gerust weten, zodat ik het kan verbeteren.
Wanneer ik sambal oelek maak, dan doe ik die in kleine bokaaltjes om te bewaren. Zo’n kleine potjes zijn ook handig om aan vrienden of familie te geven van wie ik weet dat ze op tijd en stond een pikantigheidje lusten. Van de wederomstuit vraagt men mij wel eens hoe ik die sambal oelek maak. Dan verwijs ik naar dit schrijfseltje. Deze zomer maakte ik opnieuw drie keer sambal met zelfgekweekte pepertjes. Natuurlijk heb je telkens een andere hoeveelheid geoogste pepertjes en moet je de hoeveelheden van de overige ingrediënten in evenredigheid aanpassen. Ik ben evenwel een man van cijfertjes, grafieken en tabellen – te pas en geregeld ook te onpas – en daarom maakte ik een recept in tabelvorm. Om het handig te kunnen afdrukken, heb ik het in Excel op één A4’tje gemikt. Je kan het downloaden, aanpassen of delen naar eigen goeddunken.
Niemand vroeg me ooit hoe ik pesto maak. Waarom zou men ook? Gezien de wisselende hoeveelheden basilicum die ik uit m’n bescheiding lochtingske kan halen, maakte ik ook voor pesto zo’n receptje. Het is me immers wel vaker overkomen, dat ik veel te veel van iets in de pot gooi omdat ik stomweg de hoeveelheid uit het recept vergat om te rekenen. Dat ligt vanzelfsprekend volkomen aan mij, en niet aan het recept in kwestie, maar toch. Ik gooi het hier ook maar online – je weet tenslotte maar nooit of iemand er iets aan heeft.
Ik begrijp waarom sommige mensen uitgebloeide zonnebloemen zo snel mogelijk afknippen en weggooien. Want dat is niet meer netjes, en wat moeten de buren wel denken van zulk een schabouwelijke verwaarlozing van hun leefomgeving?! Ik knipte uitgebloeide zonnebloempitten ook wel eens af om aan de kippen te geven, maar uiteindelijk wordt dat residentieel pluimvee reeds alle dagen van het jaar verwend met een gevarieerde en vermoedelijk ook lekkere zadenmengeling.
Uitgebloeide zonnebloemen kunnen evenwel mooie tafereeltjes opleveren, en het organische materiaal kan je sowieso ook als grondstof beschouwen, in de plaats van als visueel hinderlijke vuiligheid.
Ik heb de uitgebloeide zonnebloemen te onzent laten staan, ten behoeve van rondfladderend gevogelte dat z’n reserves wil aanvullen, teneinde een barre winter zo heelhuids mogelijk te doorstaan. Winter is coming, en daar kan je je als klein warmbloedig beestje maar beter op voorbereiden. Omgewaaide zonnebloemen heb ik in bundeltjes opgehangen. De zonnebloempitten vormen nu al de hele herfst een aantrekkelijk buffet voor kool- en pimpelmeesjes. En de leeggepikte restanten mogen deze winter in m’n kleine lochtingske rustig vergaan tot voedingsstoffen voor de volgende generatie planten. Wellicht knip ik enkele stengels in stukken van een centimeter of vijftien, om te laten drogen als neststengels voor een nieuw bijenhotel.
Ik heb m’n wildcamera ingeschakeld om een en ander vast te leggen. Het volstrekt amateuristische karakter van de methode vertaalt zich helaas in een evenredig matige kwaliteit van de beelden, maar zoals iemand me op Twitter antwoordde “Zolang je kan zien wie er langsgeweest is, maakt dat allemaal niet uit, toch?” En gelijk heeft ze. (Het helpt natuurlijk ook niet dat ik de beelden comprimeer, om binnen de grenzen van de opslagruimte van een gratis WordPress-account te blijven.)
Vooral koolmezen maakten gebruik van het zonnepittenbuffet, en af en toe een pimpelmees. (klik op de foto’s om te vergroten)
(de klok van de camera staat nog op zomeruur)
Vorige zondag zag ik dat de pitjes bijna allemaal op waren, en nam ik de camera voor de laatste keer weg. Hoeveel onscherpe beelden van een koolmees op een verwelkte zonnebloem wil een mens tenslotte hebben? M’n hart maakte een klein sprongetje toen ik op de laatste beelden deze grote bonte specht zag. Ja, die lustte blijkbaar ook wel een zonnebloempitje, en bij voorkeur een heleboel. Ik heb al meermaals een groene specht in de tuin gezien – en het onmiskenbare geluid van een specht aan het werk, timmerend aan een nieuwe woonst in een naburig bosje, was me vorige winter ook niet ontgaan. Het was evenwel de eerste keer dat ik een grote bonte specht in de tuin zag.
De allerlaatste foto die op de camera stond, is die van deze pimpelmees die in de camera haar beklag lijkt te maken over de gulzigheid van de vorige gast aan het zonnebloempittenbuffet: “Hey, heb je dat gezien? Die gozer heeft gewoon alles opgevreten!”
Ligt het aan de meer gunstige weersomstandigheden, of aan de mooie actieMaaiMeiNiet, dat ik dit jaar veel meer vlinders spotte dan de voorbije jaren? Als volstrekt ondeskundige vermoed ik beide, maar sla me niet dood als dit slechts gewauwel van een onwetende leek zou zijn. Een beleefde vermaning volstaat in dat geval, al dan niet vergezeld van een meewarige hoofdgebaar.
Om geen reden in het bijzonder besloot ik eerder dit jaar om elke (dag)vlindersoort te fotograferen die in ons bescheiden tuintje kwam fourageren. Vreemd genoeg zag ik vlinders die ik nooit eerder zag, terwijl ik andere wijdverspreide soorten wel verwachtte, maar niet zag. Zo bleven de distelvlinder en de kleine vos hardnekkig buiten m’n gezichtsveld.
Om al die rondvliegende fauna met naam en toenaam te kunnen noemen, laat ik me graag bijstaan door apps als Obsidentify. In deze geweldige tijd van beeldherkenning en prille artificiële intelligentie, kan ook een volslagen entomologische leek daarmee op kennerstoontje debiteren welke drie soorten zandoogjes hij in z’n tuin aantrof, terwijl hij de dag tevoren nog niet van hun bestaan afwist.
We zagen het bonte zandoogje, het bruine zandoogje, en het oranje zandoogje (vlnr). Op het eerste gezicht is het oranje zandoogje hier bruiner dan het bruine zandoogje, maar door het aantal witte stipjes (één of twee) in de zwarte oogjes op de vleugels laten ze zich vrij gemakkelijk onderscheiden. (klik op de foto om te vergroten)
?
Verder troffen we aan: gehakkelde aurelia, dagpauwoog, klein koolwitje, atalanta, en ook het muntvlindertje mag erbij. Deze laatste is eigenlijk een mot, maar een dagactieve, en daarom zien we de motheid even door de vingers. (klik op de foto om te vergroten)
De citroenvlinder liet zich meermaals zien, maar toen ik terugkwam met m’n tablet voor een fotosessie, was de vlinder telkens alweer gaan vliegen. Jawel, de fotografische uitrusting die ik gebruik, beperkt zich tot een niet al te dure tablet van enkele jaren oud. Met m’n Nokia 3310 kan ik weliswaar ook foto’s maken, doch de beeldkwaliteit daarvan is ronduit bedroevend. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is de hoeveelheid state-of-the-artelektronica hier te onzent weinig representatief voor de doorsnee man van middelbare leeftijd met een ingenieursdiploma in elektronica/telecommunicatie op zak. Ik roei wel vaker tegen de stroom in, en doorgaans zonder veel erg, maar laat ons daar vooral niet verder over uitweiden.
Dit jaar zag ik ook voor het eerst koninginnenpages in de tuin. In eeneerder stukje schreef ik hoe ik in juli twee rupsen liet uitgroeien tot zulke prachtvlinders, en momenteel heb ik er opnieuw twee. Ik trof er drie aan als piepjonge rupsjes aan op spontaan uitgezaaide dilleplanten, en besloot ze op te volgen. In het laatste stadium zette ik er twee veilig apart, zoals ik ook eerder dit jaar al gedaan had. Intussen zijn ze verpopt. (klik op de foto om te vergroten)
op 4 september zag ik deze drie piepjonge rupsjes van de koninginnenpage na een eerste en tweede vervelling beginnen ze steeds meer op de karakteristieke kleurrijke rups te lijken 20 september: toen heb ik ze allebei veilig in een pot met een wat verse dille gestopt (het derde exemplaar vond ik niet meer terug)op 26 september begon de eerste rups zich vast te hechten aan een takje dat daarvoor in de pot voorzien was – en joepie, deze keer heb ik de rups daarmee bezig gezien!op 30 september verpopte de rups (de foto rechts is twee dagen na het verpoppen)de andere rups bleef nog een tijdje doorvreten, en verpopte uiteindelijk ruim een week later
Ik veronderstel dat ze nu rustig als pop gaan overwinteren en pas in april 2022 als vlinder tevoorschijn zullen komen. De derde vond ik niet meer terug. Wellicht zit die nu als pop ergens verscholen in m’n kleine moestuintje. Wordt over enkele maanden vervolgd!
Groeten, Guy
Helemaal terzijde: de buxusmot komt vaak in de media opdat ze ravages aanricht in van die nette tuintjes met van die netjes geknipte buxusstruiken, maar ik had er nog nooit eentje IRL gezien. Tot ergens in 2021 dus 😉
Al te vaak staan we er niet bij stil met welke eenvoudige zaken we heel wat diersoorten kunnen helpen in hun nimmer aflatende strijd om te overleven. Vaak kost het helemaal geen moeite en is zelfs het tegendeel het geval. Neem nu het snoeien van klimop. Een gaasschutting begroeid met klimop hoeft er niet per se te allen tijde een strak geschoren en bijna steriel ogend groen vlak te zijn. In het najaar vormt klimop bloeiende trossen waar massa’s insecten op afkomen. In september en oktober zijn de beschikbare nectarbronnen schaars geworden, en vaak is bloeiende klimop nog een van de laatste nectarbronnen in de buurt. Atalanta’s komen hier energie tanken voor hun lange tocht naar het zuiden. Dagpauwogen doen zich nog eens flink tegoed alvorens een beschut plekje te zoeken om te overwinteren. Naast atalanta’s en heel veel dagpauwogen, zagen we bonte zandoogjes foerageren, en exemplaren van de gewone pendelvlieg, de bijvlieg, de blinde bij, en nog een heleboel ander klein vliegend gespuis. Ook gewone wespen kwamen nog even langs voor een misschien wel laatste vreetpartij. (klik op de foto’s om te vergroten)
blinde bijdagpauwooggewone pendelvlieggehakkelde aureliabont zandoogjegewone wespatalanta en dagpauwoog
Ik vond het best wel een plezant spektakeltje, die massa krioelende vlinders en insecten rond zo’n bloementros in oktober. Soms loont luiheid. Kan je een beter excuus verzinnen om die snoeibeurt nog even uit te stellen?
zoekplaatje: hoeveel insecten tel je hier, en hoeveel soorten?
Groeten, Guy
Toevoeging: Het duurt jaren vooraleer klimop begint te bloeien. Je kan die wachttijd vermijden door klimop in struikvorm te kopen/stekken: die bloeit al het eerste jaar.
Het was een vreemd moestuinseizoen. In april liepen m’n jonge peper-, paprika- en tomatenplantjes zonnebrand op, omdat het veel zonniger was dan de koude temperatuur liet uitschijnen. In juni was het warm maar nat, en verder kunnen we de zomer nog het best samenvatten als een koele, natte ellende. Intussen is de zomer stiekem overgegaan in herfst – en niemand die het verschil gemerkt heeft. Of toch wel: de dagen worden sneller korter dan een bioritme van middelbare leeftijd kan volgen, en zelfs in huis beginnen de blaadjes van de bomen te vallen. Het betreft hier – voor alle duidelijkheid – specifiek blaadjes van piepjonge granaatappelboompjes. Want geef me zaadjes en ik prop ze in een portie grond, en in het geval van die granaatappelzaadjes bleek het ontkiemen heel goed te lukken. Ik heb geen noemenswaardig idee wat ik moet aanvangen met een granaatappelboompje dat in ons klimaat geen vruchten zal voortbrengen, als ze al winterhard zouden blijken, laat staan waar acht exemplaren in hemelsnaam goed voor zijn. Maar ach, zolang we ons maar amuseren, en het leven is in ieder geval te kort om ons zorgen te maken over dat soort onbenulligheden.
09/06/2021: een kleine twee weken na het zaaien, op een warme plaats
16/07/2021
24/08/2021
20/10/2021
herfstblaadjes
De voorbije drie jaar werden we getrakteerd op warme en zeer droge zomers, die menig moestuinier deden wennen aan de idee dat het volstrekt normaal is om tomaten in open lucht te kweken, hier in ons tochtgat aan de Noordzee. De onmiskenbaar aan de gang zijnde klimaatverandering betekent evenwel niet dat we rustig evolueren naar een gezellig ‘tikkeltje warmer’ klimaat, maar vooral dat het weer steeds vaker neigt naar extremen: drie kurkdroge jaren werden nu gevolgd door de natste zomer van de laatste eeuw of twee.
De moestuiniers die – met meer vertrouwen dan ooit – hun tomaten onbeschut in open lucht geplant hadden, waren er snel aan voor de moeite. Phytophthora, ook wel gekend als tomatenziekte, patattenplaag, of diverse variaties daarop, zette gezwind een domper op de tomatenvreugde. M’n overmoedige testje om vier soorten kerstomaatjes te kweken, teneinde volgend jaar enkel de beste van de vier variëteiten te behouden, werd een sisser van formaat. Het hielp niet om de aangetaste stukken weg te knippen – de aantasting viel niet bij te houden. Eind juli moest ik uiteindelijk de strijd staken en alle buitentomaten opgegeven.
Het is natuurlijk een beetje spijtig en zo, want tenslotte hebben we daar wel enige energie in gestoken, maar ik werd er niet bijzonder ongelukkig van. De voorbije jaren mochten we genieten van een uitzonderlijke tomatenoogst, ook van planten die gewoon in de buitenlucht stonden. Klimaatverandering of geen klimaatverandering, het kan niet élk jaar uitbundig tomatenfeest zijn. Bovendien is het leven te kort, of val ik alweer oeverloos in herhaling? We hebben ook nog zeven tomatenplanten in m’n kleine serre. Deze hebben het goed overleefd maar gaven weliswaar een zuinige oogst. Weldra kan ik de allerlaatste tomaten van dit godverzopen jaar plukken.
Wat me nog het meest verbaasde, is dat de paprika veel minder last had van die droeve zomer dan ik verwacht had. De puntpaprika floreerde alsof er helemaal niks aan de hand was, de ‘Yellow Elephant’ bezorgde ons mooie joekels, en er leek maar geen einde te komen aan die kleine oranje snackpaprika’s. We kunnen, vandaag zegge en schrijve 22 oktober, nog steeds volop paprika oogsten.
puntpaprika, eind juli, nog niet rood, in pot
‘Yellow Elephant’, september, bijna rijp, in pot
oranje snackpaprika, september, in pot
De pepertjes (Spaanse,jalapeño en habanero) deden het minder uitbundig dan vorig jaar, maar al bij al valt het wel mee. Een dezer dagen, alleszins voor november z’n intrede doet, oogst ik de laatste pepertjes om de derde batch sambal oelek van dit jaar te maken – we zullen in 2021 slechts aan de helft van de twee en een halve kilo van vorig jaar geraken. We gaan nog steeds niet aan ontbering en scheurbuik ten onder gaan, vermoed ik.
22 september: vandaag voldoende geoogst voor de tweede lading sambal oelek van dit jaar
Voor het eerst in jaren heb ik geen enkel trosje druiven kunnen oogsten van m’n ene druivelaar. Ik dacht dat ik deze keer de boel helemaal gesnoeid had zoals het hoort. De groei van de trosjes begon veelbelovend, maar uiteindelijk kreeg ik niet meer dan deze verschrompelde bolletjes. Hopelijk volgend jaar beter!
Als kind wou ik al graag weten hoe de dingen in mekaar zaten. Ook levende flora en fauna konden op m’n interesse rekenen. Vermoedelijk met meer interesse dan een ander kind trok ik al eens een pootje van een insectje uit, en zo leerde ik bijvoorbeeld dat het aantal poten van de doorsnee spinachtige behoorlijk redundant is, al stond dat woord toen nog niet in m’n persoonlijke woordenboekje. Van m’n ouders, nooit verlegen om een geschenk een educatieve draai te geven, kreeg ik ooit eens een speelgoedmicroscoop cadeau. Het was ongetwijfeld een geschenk met impact op het gezinsbudget van die maand, en ik was er enorm blij mee. Maar het bleef een speelgoedmicroscoop met hier en daar onderdelen van plastiek, dat wonderbaarlijke moderne materiaal dat de mensheid een geweldige toekomst met onbegrensde mogelijkheden en zonder zorgen zou bezorgen. De mogelijkheden en de kwaliteit waren heel beperkt, al viel het naar hedendaagse speelgoednormen heel goed mee. Je kon ermee niet alleen verschillende body parts van insecten nader bekijken, je kon zelfs onzichtbare dingen zichtbaar maken – ook in de sfeer van menselijke voortplantingsmechanismen, leerde ik al snel. Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig, en bij voorkeur nog minder. Want voor je het weet, gaat het de vulgaire toer op, en dat willen we maar liever vermijden. Ik heb geen idee hoe het die microscoop later vergaan is. Mijn memorie laat wel eens steken vallen – steeds vaker, merk ik helaas op.
Een slordige 35 jaar later – sla me niet dood voor een foutenmarge van een jaar of drie, vier – kreeg m’n dochter een microscoopset cadeau van m’n broer. Ook hier was sprake van educatief oogmerk, en m’n dochter was reuze blij met zo’n mooi kerstgeschenk. In de jaren die volgden werd de set geregeld uitgehaald, wat steeds m’n volle aandacht en praktische hulp lokte, maar ook dit exemplaar bleef een speelgoedexemplaar. Ik bleef sporadisch eens het lemma ‘microscoop’ intikken op een bekende tweedehandssite, maar buiten de categorie speelgoed. Ik was daar fanatiek noch ambitieus in, en buitenkansjes dienden zich niet spontaan aan.
Tot een maand of drie geleden. Ik zag een zoekertje waarin een “Russische microscoop Mbu-4 Zenith” aangeboden werd voor de prijs van 25 euro. Het was een oud maar oorspronkelijk degelijk ding, mogelijks haperde er hier en daar iets aan, en voor die prijs kon je niet al te bedrogen uitkomen. Bovendien was het van Russische makelij, en je kan van die oude Oostblokrussen zeggen wat je wil, maar ze konden wel oerdegelijke optische instrumenten maken. En het was op nog geen tiental kilometer van onze bescheiden woonstee. Ik vermoedde een buitenkansje, of toch iets wat naar een buitenkansje neeg, en hapte toe. (klik op foto om te vergroten)
Ik ben geweldig blij met de aankoop. Ja, het is een oud ding. Nee, er zijn geen toeters en bellen aan. Nee, het is niet in perfecte staat. Maar de microscoop werkt uitstekend. In originele stalen behuizing, en met alle oorspronkelijke objectieven, oculairs en diafragma’s aanwezig. De sluiting van de behuizing had een weinig herstelwerk nodig, en de vlakke lichtspiegel is gebarsten. De holle spiegel is echter intact, en daarmee verkrijg je in huis prima resultaten zonder enige extra verlichting, mits de nabijheid van een raam, zelfs op een bewolkte dag. Volgens het identificatieplaatje is het instrument gemaakt in 1967 – het is dus iets ouder dan mezelf.
(beschrijving van een iets modernere versie van dit instrument op een veilingsite in 2018, toen geveild voor 50 euro)
Ook al is het een oud en goedkoop toestel, het werkt onnoemelijk veel beter dan eender welk speelgoedspul. Het vergt enig zoekwerk qua positionering, maar het blijkt ook te lukken om met m’n aftandse tablet redelijke foto’s te maken van het beeld. Waarom met een aftandse tablet, hoor ik niemand in het bijzonder vragen? Wel, om de eenvoudige reden dat de kwaliteit van de camera in m’n Nokia 3310 geen hol waard is, en omdat het me net iets te onhandig lijkt om met de camera van de laptop tegen het oculair te staan klooien.
Aan het raam kleeft zo’n zelfklevende vliegenval, waaraan vliegen en vliegjes blijven plakken in plaats van zich irritant en eindeloos tegen het raam te pletter te blijven vliegen. Dat is natuurlijk een vanzelfsprekend onderwerp om aan de microscoop te… euh… onderwerpen (klik op foto om te vergroten):
dit type vliegenval werkt heel goedantenne fruitvieglepoot fruitvlieglepoot fruitvliegjefacetten oog fruitvliegjehaartjes oog fruitvliegje
Stuifmeel van akelei:
Vandaag kroop er een huisstofmijt op de arm van m’n levenspartner, wat natuurlijk een mooie gelegenheid was om zo’n beestje onder de microscoop te leggen. Ik nam snel een klein stukje doorzichtige tape, en plukte daarmee zachtjes het beestje van de arm. Tegen beter weten in, alsook tegen het advies van de partner, toonde ik de beelden aan onze dertienjarige dochter die een halve insectenfobie heeft (klik op foto om te vergroten):
Ik zweeg gelukkig wijselijk over het gemiddelde aantal van die diertjes dat een doorsnee matras huisvest, dus ze komt het wel te boven. Omdat ze toen net een ‘velleke’ van haar been trok, na een in het buitenland opgelopen bescheiden geval van zonnebrand, en om de aandacht enigszins af te leiden van de gruwelijke voorgaande beelden, gooide ik dat ook maar onder het objectief:
die huidporiën!
Groeten, Guy
Note to self: ik wil zeker eens een beerdiertje vinden en bekijken onder de microscoop. Geweldige diertjes zijn dat.
Toevoeging 20/11/2021: Er zitten bladluizen op het peperplantje dat al drie jaar in huis staat. Het blijkt om de groene perzikluis te gaan. (klik op foto om te vergroten)
Begin juli vond ik een prachtige rups op de binnenkant van de deur van de serre. M’n eerste reflex bij het aantreffen van rupsen en andersoortige larven, is om ze bij de kippen te gooien. Die slaan zo’n heerlijk proteïnenpakketje nooit af, en doorgaans komt er toch maar één of andere onbestemde mot uit – nee, ik ben geen kenner. Deze vrij grote rups viel echter op door haar kleurenpracht: een koninginnenpage op het einde van haar levensfase als rups. Deze hap mochten de kiekens op hun buik schrijven. M’n kleine serre was wellicht niet de beste plaats om te gaan verpoppen, en al zeker niet de deur daarvan, dus heb ze in een bosje opgeschoten snijselder van vorig jaar gezet. Ik bedacht me dat ik een tijdje daarvoor een koninginnenpage eitjes zag afzetten op die snijselder, alsook op lavas en dille.
Een kleine week later zag ik twee zo’n rupsen op een kleine dillescheut zitten. Als ze daar zouden gaan verpoppen, dan zaten ze op een heel kwetsbare plaats. Het was een spontaan uitgekomen dilleplantje, dat ietwat ongelukkig aan de smalle doorgang naast de serre stond. De kans was nogal groot dat de rupsen daar vroegtijdig aan hun einde zouden komen, dus ik besloot om ze in een grote glazen pot te steken en de evolutie tot vlinder te volgen. Ik heb altijd al een zwak gehad voor dagvlinders – in tegenstelling tot hun nachtelijke soortgenoten die ik vooral als kippensnack beschouw. Ik gaf ze verse dille te eten, en bevochtigde de boel geregeld lichtjes met een plantenspuit. Ook stak ik twee dikkere takjes in de pot, waaraan ze zich konden vasthechten om te gaan verpoppen. Drie dagen hebben de rupsen flink gegeten – en flink gescheten. De vierde dag draaiden ze rondjes in de pot om een geschikt plekje te vinden, en daar bleven ze dan twee dagen bewegingloos zitten. Toen hingen ze zichzelf aan de tak vast met een gesponnen touwtje. Natuurlijk weeral onopgemerkt. De eerste verpopte toen we op bezoek waren bij m’n schoonouders, de tweede ’s nachts. De dekselse stiekemerds. Opmerkelijk hoe verschillend het kleur van de pop is, ook al leefden en verpopten ze in nagenoeg identieke omstandigheden. (klik op de foto om te vergroten)
6 juli 202111 juli 202111 juli 202112 juli 2021
Een kleine twee weken na het verpoppen haalde ik de stokjes met de poppen voorzichtig uit de glazen pot, en ik stak ze in een bloempot, op een plaats waar ze veilig en ongestoord konden ontpoppen en uitvliegen. Deze ochtend, toen ik met m’n luie en nog slaperige kop de kiekens te eten ging geven, zag ik de eerste vlinder op zo’n stokje zitten. Ik dolenthousiast natuurlijk, en direct terug naar binnen om m’n tablet te halen voor een fotosessie en om erover te tweeten. Nog geen twee uur later was ook de tweede koninginnenpage ontpopt. Het ontpoppen en het ontvouwen van de vleugels heb ik – je kan het al raden – beide keren helemaal gemist, maar gelukkig heb ik de koninginnenpages nog volop kunnen bewonderen terwijl hun vleugels aan het drogen waren. En ik heb de eerste vlucht van eentje gezien, tot aan de klimop enkele meters verderop. Wat een prachtige schepseltjes zijn het toch. (klik op de foto om te vergroten)
24 juli 202129 juli 2021
Op het WereldWijde Web van Wijsheid en Vooral Dwazekloterij vond ik deze timelapse opname van de transformatie van een koninginnenpage van rups tot vlinder.
Hoe wonderbaarlijk is zo’n onzichtbare metamorfose – de complexiteit van biologisch leven in z’n volle glorie. Een meer technische uitleg vind je bijvoorbeeld hier.
Zaaien in een klein lochtingske is ook altijd een beetje keuzestress. Zo heb ik zaad van vier soorten kerstomaatjes. Welke groeiden nu weer het best, hadden het meest opbrengst en welke waren het lekkerst? Maar kan je die uit een serre qua smaak wel zomaar vergelijken met in open lucht gekweekte exemplaren? En hoe kleiner het lochtingske, hoe prangender de keuze. Kan tellen, zo qua first world problem.
Ik heb zaadjes van ‘Piccolo’, alsook van afstammelingen van een niet nader gespecifieerd tomatenplantje dat ik jaren geleden kocht bij een lokale neringdoener, en van in de supermarkt gekochte tomaten die ik bij gebrek aan beter “Mini-Pruimtomaatjes van Delhaize” (MPD) en “Zoete Minitomaatjes van Delhaize” (ZMD) noem. Dit jaar ga ik ze alle vier in precies dezelfde omstandigheden opkweken: op dezelfde plaats, in dezelfde potten en in dezelfde potgrond. De tomaatjes zullen vervolgens beoordeeld worden door een volstrekt ondeskundige jury onder leiding van mezelf, en bestaande uit mezelf, vrouwlief en eventueel bezoek. De kinderen onthouden zich – zij trekken immers hun puberneusje op voor eender welke tomaat die niet tot saus zonder brokjes of tot ketchup getransformeerd is. Volgend jaar zaai ik slechts één, mogelijks twee soorten kerstomaatjes. Minstens twee van de vier variëteiten gaan de vergetelheid tegemoet en gooi ik uit het bakje waarin ik de enveloppen met zaadjes bewaar.
Of dat wel goed een resultaat geeft, zo met zaadjes van tomaten uit de supermarkt? Jazeker! Vorig jaar probeerde ik de variëteit “Smaak Tomaten van Delhaize” (STD), en dat gaf geweldig mooie planten met een grote opbrengst aan heerlijke tomaten. Dit jaar zaaide ik er meerdere.
Ik heb de vier concurrerende tomatenplantjes vandaag verspeend in hun definitieve emmer pot. Voorlopig blijven ze nog even beschut in de kas staan, maar later krijgen ze een mooi zonnig plekje. Let the games begin – tomaatjes, 👏 groeien maar!
Op de foto zie je ook onderstaande vreemde constructie. De komkommers in de serre geven altijd zo’n woekering. Ik probeer de uitlopers dan met touwtjes naar omhoog te leiden, maar dat is altijd een gedoe en de takken plooien steeds om de touwtjes naarmate ze zwaarder worden door de groeiende komkommers. Meer zijdelingse ruimte geven is geen optie want de hele kas in kwestie is geen vijf vierkante meter groot, en er moet ook nog tomaat, peper en paprika in. Ik hoop dat ik de komkommer hiermee nu beter in de hoogte kan leiden.
Op de vorige foto is er in de linkerbovenhoek nog een stukje te zien van m’n opbindtouw. Ruim 15 jaar geleden tikte ik bij m’n werkgever zo’n rol op de kop, met enkele kilometers aan draad van natuurlijke vezel. Perfect om bijvoorbeeld tomaten op te binden. Helemaal niet stiekem achterovergedrukt of zo. Wellicht werden er allerlei testen uitgevoerd op het touw (treksterkte, brandweerstand, controle op residu van pesticiden,… kan vanalles zijn). Daarvoor is dan een klein stukje materiaal nodig, maar de opdrachtgever stuurt een hele rol. Het ongebruikte deel van het staal wordt een bepaalde tijd bewaard voor eventuele bijkomende testen of tegenanalyses, en wordt na die tijd verwijderd. Doorgaans belanden die spullen allemaal in de afvalcontainer, tenzij ze tijdig onderschept worden voor een nuttiger bestemming. Enfin, allemaal naast de kwestie, ik wou gewoon tonen dat dit een handige manier is om zoiets op te hangen/bergen.
Dat touw knip ik dan met een – jawel – eveneens van het schroot geredde schaar. Ik had niet meteen een boutje met een meer gepaste lengte voorhanden voor de kapotte schaar, maar hey, het ding doet perfect wat het moet doen, en wie ben ik om daarover dan moeilijk te doen?