spelen met vuur

Als kind speelde ik al gaarne eens met vuur. Achter het struikgewas had ik m’n eigen stek, waar ik me graag afzonderde. Ik maakte daar m’n eigen huisje met een hoop bakstenen die ik van een oude fabrieksoven haalde en allerlei andere rommel. Het gezegde ‘ieder huisje heeft zijn kruisje’ indachtig, had ik in één van de versies zelfs een kruis opgehangen dat ik God weet waar gevonden had. Ik hield huisjesslakken als huisdieren in een plastieken doos van Ijsboerke, en experimenteerde met het laten ontkiemen van eikels en kastanjes. Dat wonderbaarlijke proces fascineerde me toen al. Wat me ook mateloos fascineerde, was vuur. Soms  ging ik dan stiekem een piepklein vuurtje stoken, hopende dat ouders of buren het rookpluimpje niet zouden opmerken dat opsteeg van achter het struikgewas. Doch af en toe hoorde ik m’n vader brullen “GUY DOE DAT VUUR UIT!”.  Het was een tijd waarin kinderen nog vrij ongestraft dingen konden doen waarvoor buren nu de politie bellen en er vast ook GAS-boetes bestaan.

Nu, ruim veertig jaar later, staan enkele van m’n als kind geplante eiken er nog steeds, loop ik nog steeds met rommel te klooien om er iets mee te maken, en ben ik nog steeds gefascineerd door diertjes, het laten groeien van plantjes en door vuur. Het kruisje aan de muur blijft echter allang achterwege.
Bezoek van vrienden loopt soms uit in het consumeren van meer alcohol dan een doorsnee lever prettig vindt, en dan wordt een al dan niet koele zomernacht wel eens opgevrolijkt met een vuurtje van snoeihout in ons barbecuestel. Dat soort sociale contacten ligt nu al ruim een jaar Covid-19-gewijs volledig op z’n gat, maar we blijven hopen dat daar weldra verandering in komt. Nu is zo’n klein barbecuesetje helemaal niet ideaal om een kampvuurtje in te gaan stoken. Ik keek online even rond naar vuurmanden van het gewenste formaat, nieuw of tweedehands. Ik vond geen vuurmand die me tot onverwijlde aanschaf overhaalde, maar wel een proper stalen 200 liter olievat te ruil voor enkele flesjes bier, bij voorkeur Tripel Karmeliet, en niet ver van huis. Dat werd het dus. Ik zaagde netjes een stuk van dat vat af, en de rest deed ik weer van de hand in ruil voor een fles wijn. Dit cirkeltje was alvast mooi rond.

Het zagen van het vat deed ik met een decoupeerzaag voorzien van geschikt zaagblad. Dat ging vrij gemakkelijk en vlot. (Waarom niet met een haakse slijper? Wel, omdat je met een decoupeerzaag gemakkelijker perfect recht kunt zagen, zonder vlijmscherpe bramen, en zonder gevaarlijke toestanden)

Ik wou ook nog iets waardoor het gras op de plaats van het vuur niet finaal naar de kloten zou gaan, en dan dacht ik aan de grote tegels (45×90 cm) die hier sedert de renovatie van de badkamer maar wat in de weg liggen te liggen. En ik had wat afvalhout van het wegwerppallet waarop die tegels geleverd werden. Het werd dus zoiets:

Toevoeging achteraf : de vuurton staan natuurlijk niet rechtstreeks op de tegels, want dat is vragen om ongelukken, maar staat op enkele bakstenen zodat er nog een tiental centimeter ruimte is tussen vuurton en tegels. Op de foto is dat niet heel duidelijk. Safety first! Hou ook steeds een emmer bluswater bij de hand bij elk geval van vuurkestook.

Nu we het over vuur hebben: vorige week was er een klein praktisch moestuingerelateerd probleempje met een vuurgerelateerde potentiële oplossing. M’n serre stond vol met prille zaaisels, en de nachten werden opnieuw behoorlijk koud. Na een zonnige dag is de aarde in de kas genoeg opgewarmd om met wat extra bescherming een koude nacht te doorstaan. Na een koude en bewolkte dag is dat niet het geval, en zou nachtvorst de prille plantjes parten kunnen spelen.
Collega-blogster Moestuinhippie bracht me op het idee van een mini-kacheltje met twee stenen bloempotten en een theelichtje. En dat werkte. Je kan natuurlijk niet helemaal inschatten wat de exacte bijdrage is van zo’n theelichtje, doch de minimumtemperatuur bleef -naar ik kan inschatten- zowat 2°C hoger, en dat was ruim voldoende om de boel helemaal vorstvrij te houden.  Het warmtevermogen van zo’n theelichtje zou amper rond de 30 Watt liggen, als je het WWW mag geloven, maar m’n serre is ochottekes een dikke 4m² groot en goeddeels voorzien van dubbel glas.

Ik stak het kaarsje rond middernacht aan, en om 10u00 ’s ochtends bleek het soms nog steeds te branden, hoewel de brandduur volgens de verpakking ongeveer 8 uur is. Door de ijzerdraad rond de rand van het kleine potje is daar slechts een heel dunne luchtspleet waarlangs verse zuurstof kan binnenstromen (gemakshalve gaan we ervan uit dat het gaatje dat bovenaan zit enkel als schoorsteentje dient) Doordat de verbranding weinig zuurstof krijgt, blijft het vlammetje klein en brandt het theelichtje dus een stuk langer. Ik ga dit zeker nog vaker toepassen!

Groeten,
Guy

niet meer spitten?

Hier en daar waait er een nieuwe wind door moestuinland. Permacultuur hier, niet spitten daar, of was het omgekeerd? Na eeuwen en vele generaties met spittende moestuiniers, blijkt dat al die noeste arbeid misschien niet steeds het meest efficiënte idee was.  

Toen ik met een moestuintje begon, was ook ik opgegroeid met de idee dat de hele boel elk jaar duchtig omgespit moet worden, om onkruid de grond in te werken en de grond losser te maken. Des winters is een zo kaal mogelijke vlakte aan te bevelen, de laatste winterprei en spruitjes niet te na gesproken. In het voorjaar is de grond één grote harde kluit, die je dan weer los en luchtig maakt door het op een spitten van jewelste te zetten, want zo hoort het. De ernstige moestuinier, zoals wijlen onze buurman, haalt dan zo’n gemotoriseerde grondfrees tevoorschijn om de bovenste laag van de moestuin helemaal fijn te malen. Want zo hoort het nog meer. Toen ik zelf stond te spitten, prees hij m’n grond om zoveel regenwormen. Bij hem zaten er niet zoveel in de grond, zei hij. Hij had ze dan ook ijverig vermalen, en wat overleefde kreeg enkele keren per jaar nog een ferme dosis gif op z’n donder erbij.
Na het spitten/frezen komt het erop aan om de hele reutemeteut tot een zo egaal mogelijk stukje fijnkorrelige blote aarde te harken, want ja, zo hoort het nu eenmaal. En later, tussen de groenten, hoor je niks anders dan kale grond te zien.

Ik ben evenwel niet te beroerd om iets bij te leren, tenminste zolang het me geen noemenswaardige moeite kost. Vorig jaar begon ik meer te lezen over hoe spitten geen goede zaak is voor de bodem en voor de organismen die de bodem rijk en gezond houden, dat je maar beter de grond afdekt met een laag mulch, en dat spitten dan vaak niet meer nodig is. Enfin, het klonk allemaal heel aannemelijk en zelfs logisch.  Ik begon grasmaaisel tussen de tomatenplanten, paprika’s en pepertjes te strooien, in plaats van het allemaal bij de kiekens en in het compostvat te kieperen. Zodoende droogde de grond tussen die plantjes minder snel uit. Tegen het najaar lag zowat m’n hele lochtingske vol met gemaaid gras, snoeiafval, de houtkrullen met kippenmest uit het kippenhok, en dat soort dingen. Wat later kwam er nog een laag afgevallen herfstbladeren bovenop. Ik had het er al eerder over in dit stukje.

Spul dat mogelijks muizen of ratten zou aantrekken, ging alsnog in het compostvat – of bij de kiekens. We hebben nogal wat ratten in de buurt, en ik wil ze niet per se ook nog eens in mijn richting lokken met lekkere hapjes. De enige lekkere hapjes die ratten van me kunnen krijgen, zijn porties pindakaas, en dat zijn dan meteen de laatste hapjes die ze ooit zullen eten. Iedereen weet dat ik van de dieren hou, en vaak houden de dieren ook van mij, maar voor ratten maak ik een uitzondering. Het zijn er gewoon veel te veel om te laten lopen, of om te proberen om ze levend te vangen en elders vrij te laten. Ik ving er *even checken* 162, op precies een jaar tijd, de meesten in het ‘kot’ van m’n buurvrouw op jaren. Gif gebruik ik liever niet. Een goed opgestelde klapval geeft een genadige dood en geen collateral damage. Veilig opgesteld voor vogels, egels, katten enzovoort. Er is een flinke verdedigingslinie opgesteld tussen de kippenren en de plaats waar de ratten vandaan komen, waar zelden een rat door glipt. Een Ratlantikwall, zeg maar. De gevangen ratten gooi ik dan op een ongebruikt stukje grond achter onze tuin, en binnen de kortste keren wordt dat weggewerkt door eksters, kauwen en kraaien. Deze week was er op een dag iets vreemds aan de hand in rattenland. Op één dag stortten maar liefst twaalf ratten zich in de vallen. Ik vreesde dat het gevogelte in de buurt dit uitgebreide buffet niet zou kunnen wegwerken, maar gelukkig kwam er ook even een buizerd aanschuiven.

Best cool, zo’n take-off met rat en al.


M’n eerste kennismaking met het resultaat van het mulchen was bij het uitplanten van de tuinbonen op een mooie februaridag. Ik verwijderde een strookje mulch en het viel me op dat de mulchlaag al veel dunner geworden was. Ik stak de spitvork in de grond, bewoog die wat heen en weer, en zie: de grond was helemaal rul. Losse, fijne, luchtige aarde! Het resultaat was verrassend goed. M’n wc-rolletjes met ontkiemde tuinbonen konden meteen de grond in. Hetzelfde ondervond ik bij het zaaien van de peulen en van de rode bieten: de grond was goed beschermd tegen de weersomstandigheden en wormen hadden het helemaal losgewerkt. Spitten was overbodig. En dan te bedenken dat de helft van de mulchlaag nu als voeding in de grond zit. Een spade heb ik dit jaar nog niet gebruikt om een stukje van m’n kleine lochtingske zaaiklaar te maken ; een hark en een spitvork volstonden.

Natuurlijk hangt één en ander van de grondsoort af, en wellicht lukt het op onze humusrijke zandgrond beter dan op zware kleigrond. Het resultaat was hier alleszins verrassend goed, en ik denk niet dat ik in m’n leven nog veel zal spitten. Wil ik nu iedereen overtuigen? Ga ik een fijne toekomst tegemoet als ambassadeur van het ‘niet spitten’? Ik denk het niet. Blijf gerust spitten als jouw grond dat vereist, als je je daar goed bij voelt, of gewoon als je ervan geniet om na een dag fysiek zwoegen en zweten het resultaat van het gedane werk goedkeurend te overschouwen.

En de boer? Hij ploegde voort.

Groeten,
Guy

*******************

PS: Jaja, ik weet ook wel dat jullie weten hoe Google werkt, maar hier toch enkele relevante links die ik bij m’n ‘bookmarks’ geplaatst had:

oorwormen vs bladluizen

Tot voor kort had ik nooit gedacht dat ik wel eens schuilplaatsen voor oorwormen zou maken.  Ik heb nooit veel gehad met die diertjes, en de scharen op hun achterlijf maakten ook al geen noemenswaardige indruk op me. Ik vond ze hooguit een beetje irritant wanneer ze zich weer eens verstopt hadden in een trosje zelfgekweekte druiven, en ik gooide ze achteloos bij de kippen. Die werkten het diertje vervolgens *hap* bliksemsnel naar binnen. Buiten gooibereik van de kippenren liet ik de diertjes gewoon met rust.

Maar een kleine twee weken geleden zag ik deze tweet passeren, waarin een tuinbouwleraar op pensioen ons streng aanmaande om onverwijld schuilplaatsen voor deze insectjes te gaan maken. Ja, tarara, dacht ik eerst, ik zal me nogal eens een beetje gaan uitsloven voor een stel frakking oorwormen. Doch de boodschap intrigeerde me genoeg om me nader te informeren, wat wellicht ook de bedoeling was van de tweet, en ik leerde dat oorwormen geduchte vijanden zijn van bladluizen.

Natuurlijk dacht ik onmiddellijk aan m’n tuinbonen die vorig jaar belaagd werden door bladluizen. Ik had geen preventieve maatregelen genomen door de planten te toppen, en voor ik er erg in had zat de hele boel vol met bladluizen.

Ik ben niet van het type dat onmiddellijk grijpt naar chemische oorlogsvoering ter exterminatie van ongedierte, dus probeerde ik enkele huis- tuin en keukenremedies zonder naar giftige troep te grijpen. Weliswaar met (steeds tijdelijk) succes, maar te laat begonnen, en planten en bonen bedekt met vieze bladluizensmurrie zijn verre van aangenaam.
Het leek me dus een goed idee om zelf aan de slag te gaan met het vergaren van oorwormen om eventuele bladluizeninfestaties op volstrekt natuurlijke wijze in de kiem te smoren, of toch tenminste zulks te betrachten. Nu wil het geval dat ik gisteren ons voortuintje opgekuist heb, en dat het snoeiafval (stengels, verdorde lange bladeren, verdorde oregano) wel eens geschikt zou zijn hiervoor. In de ongebruikte weide achter ons huis heb ik ook nog verdorde distelstengels van vorig jaar gehaald – dat zijn grote stevige holle stengels – en restanten van de gele lis uit de gracht naast m’n lochtingske. Zo’n oorwurm zit namelijk graag in nauwe spleten en in holle stengels. Het is de bedoeling om ze te laten huisvesten in het oorwormenhotel, en ze nadien naar een plaats te brengen waar ze bladluizen moeten gaan opeten.

Oorwormhotel 1:

Oorwormhotel 2 (met een stuk PET-fles):

Oorwormhotel 3:

Oorwormhotel 4:

Nadien had ik nog zo’n grote hoop rotzooi over dat ik er nog wat met een stukje ijzerdraad tot een worst bij mekaar gebonden heb, en daar was oorwormhotel 5:

Ik heb ze op verschillende plaatsen waar ik soms oorwormen zie, op de grond gelegd. Over pakweg een maand of twee plaats ik ze, hopelijk met oorwormen en al, onder en tussen de tuinbonen. Of deze verschillende oorwormenlokkers allemaal goed zullen werken? Ik laat het hier vast en zeker weten!

Groeten,
Guy

Update:
Ik heb die oorwormenspullen dus vooral bij de tuinbonen geplaatst:

**********************************************************************************
zie ook:

https://www.eigenwijsblij.nl/huis-tuin/een-oorwormenpot-dat-maak-je-zelf-met-mijn-stappenplan

https://www.natuurwetenschapentechniek.nl/nieuws/lesidee-groep-5-t-m-8/maak-een-oorwormenpot

**********************************************************************************

het nieuwe lochtingseizoen: peper, paprika, tuinbonen en gember

Het nieuwe lochtingseizoen is begonnen. De pepertjes zijn al verspeend, de paprika’s ontkiemd en de eerste 25 tuinbonen voorgezaaid. Met de peper en de paprika ben ik een week later begonnen dan vorig jaar. M’n zelf in mekaar geknutselde minipropagators geven de plantjes genoeg voorsprong, zo heb ik vorig jaar gemerkt. Vrouwlief heeft het beginnende tropische woud in de betreffende kamer getolereerd, maar wat haar betreft mag het allemaal wat minder zijn. Ze heeft de moestuin liever buitenshuis.
Om één of andere reden vond ik het een goed idee om m’n moestuinavonturen eens weer te geven in ‘draadjes’ op m’n lochtingtwitteraccount. Zo lopen daar momenteel al een peper-, paprika-, tuinboon– en gemberdraadje. Voor de noorderburen die mogelijks de nomenclatuur niet meteen kunnen thuisbrengen: ‘lochting(ske)’ is Vlaams voor ‘moestuin(tje)’.

Ik beperk me dit jaar opnieuw tot drie variëteiten pepertjes: jalapeño, Spaanse peper en habanero. Dat dekt alle toepassingen die ik voor ogen heb: mild, redelijk heel en heet. En voldoende opbrengst om genoeg sambal oelek te maken tot de volgende oogst er is.

Van paprika kan een mens niet genoeg hebben. De klassieke blokpaprika gaf me minder opbrengst dan de puntpaprika, dus nu méér puntpaprika en minder blokpaprika. Ik heb ook een kleine snackpaprika toegevoegd voor uit het vuistje, en ‘Yellow Elephant’ voor gewoon véél paprika. (de zaadjes voor deze laatste twee bekwam ik hier) Het zaaien en laten opgroeien gebeurt op dezelfde manier als de peper.

Ook tuinbonen zaai ik voor in wc-rolletjes, in twee keer. Je weet nooit dat een ‘batch’ door omstandigheden mislukt. Spreiding van het risico, zeg maar. De eerste batch kreeg te maken met de strenge vorst, en heb ik in m’n kleine serre beschermd met enkele afgedankte vlaggen. (Wanneer een bedrijf het bedrijfslogo verandert, is dat doorgaans niet meer dan een door dure communicatiespecialisten aangeraden maar verder volstrekt nutteloze verspilling van tijd en geld. In het beste geval zorgt het voor een enorme hoop bruikbaar kladpapier, met oud logo bedrukte omslagen voor diverse huis- tuin- en keukentoepassingen, en obsoleet geworden bedrijfsvlaggen om in de winter planten mee af te dekken. Maar we dwalen ongetwijfeld af.) Zodra de eerste reeks tuinbonen ontkiemd is, gaan ze de grond in, en dan zaai ik de tweede helft.

Gezien het succes van m’n gemberexperiment vorig jaar, heb ik deze keer twéé stukjes gember gekocht om te trachten verder te kweken. Vorig jaar bleek de bloempot waarin ik de gember geplant had, uiteindelijk nogal aan de kleine kant uit te vallen. Dat moet deze keer beter. Enkele prijsvergelijkingen leerden me snel dat het veel goedkoper is om van die bouwemmers te kopen, in plaats van bloempotten met een gelijkaardige diameter. Die bouwemmers zijn bovendien stevig én hebben een handig handvat. Je moet natuurlijk wel enkele gaten in de bodem maken, zodat overtollig water weg kan.


Ik heb geen idee of ik vorig jaar gewoon beginnersgeluk had met m’n gemberknolletje. Maar omdat het zo succesvol was, doe ik het nu – op de grotere pot na – op precies dezelfde manier.

Vorige week vroor het nog de stenen uit de grond, maar de komende dagen wordt het heel zacht weer. Een verschil van 20°C op een goede week tijd.


Dan kunnen we stilaan weer buiten beginnen te prutsen. M’n lichaam en geest zijn allebei toe aan wat fysiek buitenwerk. Ik ben vooral benieuwd wat het effect zal zijn van de mulchlaag waarmee ik voor het eerst m’n moestuin afdekte om tijdens de winter de grond te beschermen. Zo’n laag beschermt de aarde tegen de weersomstandigheden en stimuleert het bodemleven hopelijk genoeg, zodat spitten overbodig wordt. En als de entropie doet wat ze altijd doet, voedt de mulchlaag ook de bodem. Biochemische processen kunnen de wonderbaarlijkste succesjes boeken en prachtige dingen laten groeien, maar op het einde van de rit wint de entropie altijd. Je bent de basis van een hoofdwet of je bent het niet.

Vorig jaar zat ik soms te knoeien om water te geven aan de verspeende plantjes in huis. De plantenspuit geeft te weinig debiet, en m’n gietertje is te lomp. Het water komt te geweldig uit de tuit, het is moeilijk om precies te doseren, en er werd al eens water in het rond gesmost. Met behulp van een beetje teflon, een stukje plastiek dat ik van een oude speelgoedtoeter afgezaagd heb, en zo’n plastieken injectiespuit heb ik nu iets om heel precies water te geven, netjes op de juiste plaats en precies de juiste hoeveelheid. Het tuitje kan gewoon naar believen van de gieter gehaald en er terug opgestoken worden.

Je kan natuurlijk ook gewoon een plantengieter met lange smalle tuit kopen, maar ook zo’n tuit vind ik soms nog te breed. Er kan vaak ook maar weinig water in zo’n gieter. En waarom iets kopen als je het ook gewoon met rommel in mekaar kan bricoleren, helemaal zoals je het zelf wenst? Geen grondstoffen nodig, geen productie, geen energie, geen transport. Of het milieubewuste creativiteit betreft, dan wel ordinaire gierigheid, dat laat ik gemakshalve graag in het midden.

Groeten,
Guy

2021

Precies twee jaar geleden schreef ik hier een eerste stukje. Fysiek was ik in die periode tot niet erg veel in staat, wegens revalidatie na jarenlange ziekte, een lange operatie en drie dagen narcose, en er viel in die tijd van het jaar hoe dan ook niet veel te doen in m’n kleine moestuin. Ook m’n brein, dat al enkele jaren steeds zwaardere pijnmedicatie te verduren kreeg, was toe aan wat activiteit. Ik zat vol plannen voor het op til staande moestuinseizoen, en besloot om daarover te schrijven, want eigenlijk heb ik altijd al graag geschreven. Snel merkte ik dat schrijven me niet meer zo goed lukte als in vroegere jaren. Maar whatever, ik deed het toch enkel voor mezelf en was niet van plan om m’n stukjes te delen, ook al stonden ze open en bloot op het Wereldwijde Web van Wijsheid en Vooral Dwazekloterij. Het zou nog wel even duren alvorens iemand het stoemelings via één of ander zoekalgoritme te zien zou krijgen. Zelfs nu nog weet ongeveer niemand uit vrienden- of familiekring dat ik “een website heb”. Op Twitter schreef ik wel af en toe iets over het moestuingebeuren, en heel sporadisch verwees ik iemand naar een bepaald stukje als reply op een concrete vraag of zo. Pas een half jaar geleden begon ik dat frequenter te doen, en vrij recent heb ik besloten om de stukjes voortaan wat actiever te delen. Je weet tenslotte maar nooit of iemand er iets aan heeft. Er kwam uiteindelijk ook een apart Twitteraccount (@lochtingske), zodat mensen me daar kunnen volgen zonder een tijdlijn aan te treffen vol politieke bullshit en oeverloos gejank over…euh… alles.

Precies twee jaar geleden was het januari, en nu dus ook. M’n kweekbakjes zijn al in stelling gebracht voor de eerste peperzaadjes. Ik ga minstens een weekje later beginnen te zaaien dan vorig jaar. In 2020 zat ik begin mei al met een oerwoud aan peperpaprika– en tomatenplanten in huis, terwijl het nog wat te koud was om de planten buiten te zetten. Door de extra warmte in de kweekbakjes en wat extra licht, hadden de plantjes immers heel goed gefloreerd. Vrouwlief vindt het wel plezant dat we tomaten en paprika ‘vers uit de lochting’ hebben, maar die lochting staat wat haar betreft toch maar liever niet in huis.

Buiten ligt m’n kleine lochtingske nu bedekt met grasmaaisel, snoeisel en bladeren. Ook de houtschilfers uit het kiekenskot komen voorlopig daar terecht wanneer ik het kiekenskot uitkuis – die beesten schijten wat af zeg. Die laag rotzooi beschermt de grond en het bodemleven. Spitten doe ik niet meer. Wie wil weten waarom, verwijs ik graag door naar deze blog. Jan houdt immers ook niet zo van spitten, heeft daar heel goede redenen voor, en legt gaarne uit welke deze zijn. Het is ook om andere redenen een interessante blog, for that matter.

Vorig weekend heeft het gesneeuwd. Een mooi laagje verse plakkende sneeuw, dat vraagt natuurlijk om een sneeuwballengevecht en om een sneeuwman, of twee. M’n dochter en ik hebben er twee gemaakt. De zoon heeft geholpen om de middelste bollen op de onderste te hijsen, maar noemenswaardig meehelpen aan het maken van sneeuwmannen was verder beneden z’n puberale stoere waardigheid, wat volgens mij niet ongebruikelijk is bij vijftienjarige jongelui. Die stoere waardigheid weerhield hem echter niet van het bekogelen van z’n zus met malse verse sneeuwballen. Boys will be boys.

Helaas was het sneeuwkoppel geen lang leven beschoren, want dezelfde nacht begon het reeds te dooien. Dat is helemaal niet erg, want die ouderwetse sneeuwpret heeft echt deugd gedaan. Zeker nu onze winters steeds warmer worden, en sneeuwtapijtjes steeds zeldzamer in onze contreien, laten we de kans niet zomaar voorbijgaan om in de sneeuw te spelen. Ja, ook als vijftigplusser kan je nog gewoon in de sneeuw spelen.

Gelukkig heeft het deze winter – in tegenstelling tot de vorige – wél al eens 24 uur aan een stuk gevroren en konden we de diepvriezer eindelijk laten ontdooien en uitkuisen.  Wat enkele jaren geleden nog zo vanzelfsprekend was (de inhoud van de diepvriezer even buiten zetten tijdens een strenge ijsnacht en -dag), is dat nu blijkbaar niet meer. Het klimaat geraakt steeds meer fucked up, en er moest al zoveel unfucked worden in onze wereld.
Ik ga niet heel erg negatief doen over 2020. Sommige dingen konden beter, ja zelfs véél beter, maar er zijn toch maar lekker weer een heel jaar geen bommen op ons hoofd gevallen.
En wat 2021 betreft: het wordt vast een fijn jaar, hopelijk ook voor jullie allemaal.

Groeten,
Guy

zaagbok #klustips #creatiefmetafval

Het was de laatste dagen geen weer om een hond door te jagen, laat staan een beminnelijk man als mezelf, dus ik heb me enige tijd in relatieve ledigheid binnenshuis schuilgehouden. Twee weken geleden was het echter prachtig lenteweer. Het leek alsof de natuur het beu was om opnieuw op te tornen tegen de opwarming van de atmosfeer, elk jaar met minder succes, en dan maar gemakshalve besloten had om de winter dit jaar volledig over te slaan. Ideaal weer om hier en daar wat te snoeien, dat wel. De beukjes naast de serre waren te groot geworden en namen ’s zomers teveel licht af van m’n serreplantjes (dat vermeldde ik hier al eens). Die boompjes heb ik nu een meter of drie ingekort.

In de kippenren stonden een krulwilg die tot op de stam gesnoeid mocht worden en een meidoornboom waarvan ik enkele grote takken wou verwijderen.

prachtige meidoorn in april

Zo’n meidoorn wordt een prachtig bloeiende boom, maar een aantal takken hinderden de vlakbij staande notelaar. Na een weinig zweet, maar bloed noch tranen, lag de hele boel vol met grote en kleine afgezaagde takken. De kleinste takken en twijgen gingen in het hakselaartje.
Wat hebben we daarbij geleerd? Dat takken van krulwilg en meidoorn klotedingen zijn om in zo’n kleine hakselaar te stoppen. In principe kan het ding  takken met een diameter tot 45 mm tot bruikbaar frut vermalen – als we het instructieboekje tenminste mogen geloven, wat ik overigens maar zelden zonder voorbehoud doe. Takken boven 20 mm gebruik ik als aanmaakhout, dus al wat resteerde waren dunnere takjes en twijgen van minder dan twee centimeter dik. Maar takken van krulwilg zijn zo …euh… gekruld dat je ze helemaal niet vlot kan invoeren in zo’n hakselaartje, en ook takken van meidoorn zijn verdomd grillig. Dat ging allemaal veel minder vlot dan verwacht. Toch had ik uiteindelijk een mooie hoeveelheid gehakseld spul om bijvoorbeeld rond de frambozen aan te brengen, en tussen m’n bessenstruiken. De grootste takken en stammen ging ik te lijf met de kettingzaag. Nu weet iedereen die al ooit met een kettingzaag gewerkt heeft, dat het te zagen spul maar best zo stevig en veilig als mogelijk ligt. Zoals op een zaagbok dus, maar die had ik niet. Ik had wel nog enkele stevige ruwe maar rechte planken van een houten wegwerppallet. En dus heb ik zelf een opvouwbare zaagbok gemaakt.
Zoiets is eigenlijk vrij eenvoudig en snel in mekaar gevezen.

Waarom afvalhout gebruiken en geen stevig metalen zaagbokje kopen?
– goedkoop: iedereen kan wel ergens gratis aan een geschikt wegwerppallet geraken
– het kan geen kwaad als je eens abusievelijk met de kettingzaag de zaagbok raakt
– ecologisch: afvalrecuperatie in plaats van nieuwe grondstoffen gebruiken

Wat heb ik gebruikt?
– drie planken van 76 cm
– 6 planken van 100 cm
– drie bouten (M6, M8… naargelang beschikbaar)
– vier borgmoeren (of meer)
– twaalf (of meer) rondellen
– een fietsrekker (=snelspanband)
– een stuk draad
– enkele schroeven
Natuurlijk kan je afwijken van de afmetingen die ik gebruikt heb.


Wat is belangrijk?
– de V bovenaan moet groot genoeg zijn zodat ook dikkere stammetjes goed vast zitten
– de opbouw is niet per se symmetrisch omdat je aan (minstens) één zijkant  stukken van 30 à 40 cm wil overhouden die voldoende steun moeten hebben
– de zaaghoogte moet op een comfortabele en veilige hoogte zijn, dus zeker niet te hoog
– als er geen tweede persoon is om de takken vast te houden, voorzie je best iets om de takken ietwat vast te klemmen
– enkele rondellen tussen de scharnierende planken zodat ze niet tegen mekaar blokkeren bij het ‘werken’ van het hout
– rekening houden met de beschikbare opbergruimte

Hoe is het gemaakt? Welja, zie de foto’s:

Eenvoudig trucje om de poten gelijk met de grond af te zagen:

Of ik de enige ben die op dat idee kwam? Banee gij! Zie bijvoorbeeld HIER.

Groeten,
Guy

nestkastjes

Winter is coming, daar gaan we gemakshalve toch van uit. Gaan we na twee heel warme winters nog eens een winter krijgen met sneeuwmannen en ijsdagen? Ik zou mijn hand daarvoor niet in het vuur steken. Voor andere dingen trouwens ook niet, al is het maar omdat dat geweldig pijn doet – heb ik van horen zeggen.

Maar het wordt dus winter, en voor we het goed en wel beseffen, wordt het alweer lente en beginnen de vogels weer te vogelen en een nestplaats te zoeken, niet noodzakelijk in die volgorde. De voorbije jaren hadden we twee nestkastjes in de tuin hangen. Beide kastjes worden elk jaar in gebruik genomen door koolmeesjes.

Een van die kastjes heeft onze kroost een tiental jaar geleden als zelfbouwpakket cadeau gekregen. Papa heeft het in mekaar getimmerd, met een weinig hulp van de dochter (toen nog een kleuter) die ook eens een tikje met de hamer mocht geven. Beide kinderen mochten nadien elk de helft van het nestkastje beschilderen met de bijgevoegde kind- en milieuvriendelijke verf. De verf is in de loop der jaren bijna verdwenen, en het scharnierende dakje is een biotoop voor korstmossen geworden, maar het nestkastje doet nog steeds dienst.

Het andere kastje heb ik ooit zelf gemaakt en gaat ook al een jaar of tien mee. Geen scharnierend dakje, maar een scharnierende zijkant. Door het haakje onderaan 180° te draaien, kan de zijwand open scharnieren rond de twee schroeven bovenaan. (Op een onderstaande foto zijn ook die schroeven losgemaakt om de zijkant er helemaal af te nemen – gemakkelijker om goed te kunnen reinigen)

Elke jaar maak ik die nestkastjes proper. Ik maak ze open, haal er het oude nestmateriaal uit, en giet er dan kokend water in, om eventuele vieze parasieten te vernietigen die zich schuilhouden in de spleten en kieren.  In één nestkastje deed ik een akelige ontdekking. We hadden de mezenjongen minstens twee weken geregeld horen piepen, en de ouders met voedsel zien af- en aanvliegen. Toen het piepen gedaan was, dachten we dat de jongen uitgevlogen waren. Dat bleek niet het geval te zijn. In het oude nest trof ik de skeletjes aan van negen jongen. Wat er precies fout gelopen is, daar hebben we het raden naar. Zijn de ouders gestorven door het eten van rattengif (er zaten toen nogal wat ratten in de buurt) of vielen ze ten prooi aan een roofvogel, waardoor de jongen geen eten meer kregen? Zat er teveel gif van vlooienbandjes op hondenhaar dat in het nest verwerkt zat? Kregen de jongen toch een bepaalde soort vergiftigde rupsen te eten? Wat de reden ook is, het is niet uitzonderlijk dat er eens een nest ‘mislukt’. De natuur is wreed, van nature. Eten of gegeten worden. Dat de mens ook nog eens overal vergif in die natuur en in allerlei voedselketens verspreidt, dat helpt natuurlijk niet.

Nu wil het geval dat hier ook nog andere soorten vogeltjes rondvliegen die ik ook wel eens een comfortabele nestgelegenheid wil aanbieden, en waarom niet met het pimpelmeesje beginnen. Dat is eigenlijk eenzelfde kastje als van een koolmeesje, maar met een opening van 28 mm in plaats van 32 mm. Blijkbaar zijn die diertjes nogal kieskeurig wat hun voordeur betreft. Zo gezegd, zo gedaan. Ik had nog genoeg geschikte houten plankjes liggen (waar blijven die toch steeds vandaan komen), en vrij snel was dit het resultaat.

Bovenaan een klein reepje lood tegen regeninsijpeling. (afkomstig van een oude dakgoot van de buren – je kan hiervoor bijvoorbeeld ook een uitgeknipt stukje van een kapotte fietsband gebruiken) Onderaan heb ik onderaan gaatjes gemaakt voor drainage,  want die jonge vogels zijn niet alleen kleine vreetmachines maar ook kleine schijtmachines, en zo blijft het nestmateriaal droger. Soms volstaan daarvoor de kieren tussen de plankjes onderaan, maar een extra gaatje kan nooit kwaad.

Eerst ga ik nog de beuken in het stukje kippenren naast m’n serre drastisch snoeien (want die worden te groot en nemen teveel zonlicht weg), en daar zal ik dan het kastje ophangen. Dat is ver genoeg verwijderd (een meter of tien) van beide koolmezenkastjes, zodat die geen last van mekaar hebben. Ik overweeg om ook nog mussenkastjes te maken, of iets voor winterkoninkjes en/of roodborstjes, maar het aantal ophangplaatsen is hier nogal beperkt.

Ach ja, als je ook wil weten hoe je zo’n ding nu best maakt, of waarop je moet letten, of hoe dik het hout moet zijn, of wat er fout is aan heel wat nestkastjes die je in de winkel kan kopen, of waar en in welke richting je dat best ophangt, of welke vogelsoorten welke architecturale voorkeuren hebben:

Groeten,
Guy

creatief met afval: voederplankje voor kleine vogeltjes

De ene ziet een afgedankte braadpan om naar het containerpark te brengen, de andere ziet een mooi drinkbakje voor tuinvogels.  Het zal niemand die me kent verbazen dat ik tot de tweede categorie behoor. Dus toen er vorig jaar een klein versleten braadpannetje afgedankt werd, werd het een vogeldrinkbakje. Het handvat werd losgeschroefd en vervangen door een metalen verbindingsstukje om gemakkelijk stevig ergens aan te kunnen bevestigen.

Ik veronderstel dat menig vogel mij hiervoor dankbaar geweest is, tijdens de hete en uiterst droge zomers van de laatste jaren. Sedert de lente van 2018 hebben we hier geen water meer in de gracht gehad – en al twee jaar niet één enkele kikker meer gezien.  (Ook veel andere grachten en poelen die belangrijk waren voor nogal wat dieren, droogden in 2020 voor het eerst op.)
Anyway, ik begluur de vogels die soms komen drinken met m’n wildcamera:

Nu heb ik ook een voederplankje gemaakt voor vogels. Probleem was echter dat hier ontzettend veel kauwen en eksters zitten, en als je die niet weghoudt, dan is eender welk voer je daar legt binnen de zestig seconden volledig opgevreten en krijgen de kleintjes geen enkele kans meer. (Ik heb eerder ook de afscherming van het kiekenskot moeten aanpassen, omdat anders heelder kolonies van dat soort vliegende ratten al het kiekeneten opschrokken.)
Vandaar volgend ontwerp, dat ik vandaag gemaakt heb van (moet ik het nog zeggen?) afvalhout en een stukje ‘draad’ dat ik nog op overschot had.

Het onderste platformpje kan je eenvoudig kantelen en eruit halen, mocht dat nodig zijn. Ik heb géén idee of het zal werken zoals ik voor ogen had.  Gemorste zaadjes komen bij de kiekens terecht, en blijven dus niet liggen voor ratten en muizen.

Ik heb er alvast een soort voederstok in gehangen, met openingen waarin zaadjes zitten. Dat had ik vorige winter al gekocht met een cadeaucheque van een tuinzaak, die ik toen voor m’n 50ste verjaardag gekregen had. Maar aangezien het hier vorig jaar de hele winter gesneeuwd noch noemenswaardig gevroren heeft – wat ik trouwens m’n hele leven nog niet meegemaakt had – heb ik het vorige winter niet opgehangen. Je moet wilde dieren nu ook niet té hard verwennen – ze moeten hun overlevingsskills tenslotte behouden, of ze daar nu zin in hebben of niet.

Groeten,
Guy

Toevoeging 29/11/2020:
De mezen hebben het al snel gevonden:

Toevoeging 03/12/2020:
… en de ratten ook!

Daar moest onmiddellijk iets aan gedaan worden. Ik vreesde wel dat er vroeg of laat een rat zou opduiken bij het voederplankje. Het was dus vroeg. Ratten zijn in onze omgeving moeilijk helemaal te vermijden, en wanneer ze ergens een vaste bron van voedsel vinden, dan beginnen ze daar ook te nestelen en te kweken.

Het ding is nu bevestigd op een gladden metalen buis die aan de onderkant nog eens extra glad gemaakt is met een smeermiddel. Er is nog een stukje prikkeldraad rond de buis onder het voederplankje gewikkeld (buiten het bereik van de kippen die daar ook rondlopen), want waarom niet? Benieuwd of dit effectief genoeg zal zijn.

Waarvoor die takken bovenop dienen? Er foerageren winterkoninkjes op de plaats waar dit staat. Die gaan niet graag op een voederplankje zitten. Op de vorige locatie heb ik geen enkel winterkoninkje op de voederplank gezien. Winterkoninkjes zoeken hun eten liever dicht bij de grond en liefst beschut tussen struikgewas. Ik hoop om ze op die manier te lokken. Geen idee of dit zal werken – ik doe maar wat. De wildcamera hangt alvast klaar!

Toevoeging 04/12/2020:
Yes! Een heggenmus(?), een verder vooral veel koolmezen.

Toevoeging 05/12/2020:
Na het opduiken van die rat heb ik een batterij rattenvallen geïnstalleerd.
En jawel, met succes: ***DISCLAIMER: this image may show graphic content***
(Die vallen zijn fataal voor ratten, maar zijn volledig veilig voor de kippen of voor andere nieuwsgierige dieren. Daarover later eens meer.)

Het beest was van plan om in de kippenren te blijven wonen en had daar al een hol gegraven. De vallen blijven dus nog even paraat staan, en voortaan haal ik het vogelvoer elke avond weg.

Later toegevoegd:

Uiteindelijk heb ik het voederplankje aan een tak opgehangen. Dat bleek veel eenvoudiger te zijn, en buiten het bereik van ratten.

‘van die netjes’

Corona of geen corona, de trein des tijds – en dus ook des levens – blijft maar doordenderen. De zomer is amper voorbij of het is alweer bijna winter. Straks kunnen we opnieuw beginnen te zaaien, maar eerst worden nog de laatste oogstjes binnengehaald. Gisteren heb ik voor het eerst gember geoogst, en dat was best wel een succes. Een tweet hierover bracht enkele reacties teweeg in het genre “Unk, gewoon een stuk gember op wat potgrond leggen en dan groeit dan zo?” Dat is inderdaad de kortst mogelijke samenvatting, en iets te kort om verder mee aan de slag te kunnen. Een meer gedetailleerd relaas schreef ik hier.

Ik heb ook het citroengras geoogst. De grootste stengels ging naar de diepvriezer, de kleinere stengeltjes In de kruidenolie die ik nu aan het maken ben, en een deeltje zal volgend jaar dienen als plantgoed. Zie dit stukje voor foto’s en meer info.

Verse gember, vers citroengras… ideale gelegenheid om een nieuwe fles kruidenolie te maken voor Oosters aandoende wokgerechten of slaatjes. Ik gooi gember en citroengras in een kookpot met een liter arachideolie, samen met een blaadje salie, een stengel snijselder, wat koriander, en een van de laatste jalapeños uit de serre. Alles eerst proper maken en goed kneuzen, pletten en snijden om de smaakstoffen zoveel mogelijk te laten vrijkomen. Dan het hele mengsel eventjes opwarmen, laten afkoelen, enkele dagen laten intrekken, goed zeven, en terug in de fles. De vorige keer dat ik zulke olie maakte, deed ik er ook verse look bij. Dat zou evenwel risico op botulisme geven, en kan je beter vervangen door gedroogd lookpoeder. (Ik maak ook geregeld zo’n fles kruidenolie met eerder mediterrane allures. Heerlijk op tomaten en in slaatjes, maar bijvoorbeeld ook om aardappelen in te bakken.)

Het sociale leven ligt nog steeds zo goed als stil door die dekselse COVID-19. Niet dat ik daar onzettend veel last van heb – soms heeft het zo zijn voordelen om wat asociaal te zijn. Me vervelen doe ik nooit. Toch ben ik blij dat het nog steeds vrij zacht weer is, zodat ik buiten nog vanalles kan doen. Het is bijna eind november, en we hebben nog geen noemenswaardige nachtvorst gehad, en slechts af en toe wat regen hield me tegen om buiten bezig te zijn. De moestuin heeft een winterdekentje gekregen van onbruikbaar loof en afgevallen bladeren. (Waarom doe we dat? Zie bijvoorbeeld hier, of hier)

Ik had het er al eerder over, ik gebruik nogal graag eens basilicum, en het is niet zo moeilijk om altijd over verse basilicum te beschikken door steeds opnieuw te stekken. Ik gebruik daarvoor deze kleine flesjes.

Maar die kleine vaasjes worden op de lange duur behoorlijk vuil. Kalk en allerlei aanslag aan de binnezijde die er met vaatwasmachine noch handwas af te krijgen is, door die smalle hals. Ik zou mezelf niet zijn, mocht ik daar niks op gevonden hebben, gebruik makend van afval. Je hebt van die netjes waarin bijvoorbeeld look of citroenen verkocht worden, en waarvan je niet weet “mag dat nu in de blauwe zak of niet”.

In combinatie met een oude tandenborstel is dat een ideaal schuursponsje! Met de tandenborstel alleen kan je immers niet in de randen van de flesjes. Je propt met een draaiende beweging het netje door de hals, en met behulp van die tandenborstel kan je dat propje dan overal in het flesje rondfrotten, ook in de anders moeilijk bereikbare randen.

Zulke netjes, alsook oude tandenborstels, zijn overigens ook heel bruikbaar voor andere en heel uiteenlopende poetsactiviteiten.  Ik gebruik ze ook soms in bloempotten met grote gaten onderin, in plaats van potscherven die daarvoor vaak gebruikt worden.

Het houdt de aarde binnen, en laat overtollig water perfect door – ik vermeldde dat ook hier al eens.

Groeten,
Guy

creatief met afval: ‘steampunk’ monitor

Ik pruts dus graag met allerlei rommel om er iets nuttigs van te maken. Huishoudelijke apparaten doen hier doorgaans dienst tot ze niet meer te redden zijn, wars van hippe trends of opdringerige technologische vernieuwing. Zo ook de vorige laptop, maar iets op het moederbord gaf er uiteindelijk toch de brui aan. De harde schijf was nog bruikbaar, alsook het scherm. De RAM krijg je niet meer in een moderner toestel geramd.
Aldus werd de schijf een externe harde schijf, die ooit een nog niet nader bepaald doel zal dienen.

Het scherm bezorgde me wat meer ouderwets knutselplezier, en werd een extra monitor voor de nieuwe laptop, met behulp van restjes hout en een vanuit de Chinese Volksrepubliek verscheept stukje elektronica. Iemand noemde het resultaat “very steampunk. Ik had daar zelf niet aan gedacht, maar er is inderdaad iets van aan.

Je kan dat eigenlijk met elk laptopscherm doen. Het scherm voorzichtig uit de behuizing halen, kijken welk type het is, op het wereldwijde web een geschikte controller voor het scherm zoeken, en knutselen maar. Ik vind het handig om het tweede scherm boven m’n laptop te hebben, maar het houten frame is zo gemaakt dat het scherm ‘redelijk’ gemakkelijk ook in een lagere positie kan gemonteerd worden, zodat je het naast de laptop kan plaatsen in plaats van erboven. Het scherm is ook horizontaal kantelbaar naar boven of naar beneden, zodat je steeds de juiste kijkhoek hebt.

Een tweede beeldscherm is bijzonder handig bij sommige bezigheden. Eenmaal je het gewend bent… En toen ging vrouwlief ermee lopen, wegens COVID-19 gerelateerd thuiswerk, want zo’n tweede scherm vond ze zelf ook wel best handig. Vandaag mocht ze evenwel op haar reguliere werkplek een extra monitor halen, en dus heb ik m’n gebricoleerde schermpje alvast teruggevorderd.

Een laptopscherm heeft geen eigen controller. Die zit op het moederbord van de laptop, dus moest er een beeldschermcontroller voorzien worden. Die controller heb in een oud sigarendoosje ingebouwd en met velcro bevestigd aan het frame. Wel even voorzichtig zijn bij het losmaken en bevestigen van de nogal delicate connectie van de LVDS-kabel. De elektrische voeding is gemaakt van de voeding van de gesneuvelde laptop, weliswaar met een step-down module ertussen. Die module zit voorlopig in een doosje waar ooit schroeven in zaten. Dat is in afwachting tot ik iets stevigers vind, want dat doosje op de vloer is niet echt ‘voetbestendig’.

Zelf heb ik van het bouwen helaas geen foto’s gemaakt, maar op het internet vind je allerlei ideeën en tips om van zo’n oud laptopscherm een monitor te maken.
Ook wie de beschikking heeft over een 3D-printer die groot genoeg kan printen, kan daar vast bijzonder originele schermbehuizingen en -staanders mee maken.

Jááá, ik weet dat een kant-en-klare monitor helemaal niet ontzettend veel kost, en tweedehands kan je zeker voor weinig geld een exemplaar op de kop tikken. Maar hey, wat is daar nu voor fun aan?

Groeten,
Guy