tomaten 2020

Gisteren was ik de laatste tomaat van dit jaar aan het opeten, bij een boterham met kaas en hesp, toen ik dacht ‘Misschien kan ik nog eens een stukje over tomaten schrijven’. De gedachte werd onmiddellijk gevolgd door deze: ‘Ge gaat toch weer niet over uw tomaten beginnen zeker’. Maar wat zou ik daarover diepgaander zitten filosoferen. Gewoon doén, als ik daar zin in heb, want het leven is te kort, en de mij toegewezen tijd te dierbaar om te verkwisten aan overpeinzingen die me nergens heen leiden.
Eerder maakte ik al gewag van m’n moestuinavonturen met tomaten in deze stukjes:
https://mijnemoestuin.home.blog/2019/06/02/some-say-tomahto-some-say-tomayto/
https://mijnemoestuin.home.blog/2019/11/22/some-say-tomahto-some-say-tomayto-deel-ii/

Waarom dan in herhaling vallen? Wel, 2020 mag dan in vele opzichten een jaar zijn dat we over een kleine twee maanden gaarne collectief in een diepe vergeetput gooien, om die put vervolgens af te sluiten met een molensteen van jewelste, maar het jaar leverde wel me een verdomd mooie tomatenoogst op.

We hebben vier maanden lang verse tomaatjes gegeten, en vleestomaten verwerkt tot spaghettisaus en pizzasaus alsof het een lieve lust was. Nu klinkt het mogelijks een beetje misleidend alsof die tomaten hier op semi-industriële schaal verwerkt werden, dus om het even in het correcte perspectief te plaatsen: ik had welgeteld 19 tomatenplantjes, waarvan zowat de helft in de serre.

De eerste tomaat van het jaar, dat geeft altijd veel voldoening. Je hebt in het voorjaar een piepklein zaadje in een beetje grond gestoken, het plantje verzorgd en helpen opgroeien, en het bezorgt je dan zoveel lekkers. Ik speelde even met het idee om het met een huisdier te vergelijken, maar een tomatenplant kakt niet overal in het rond en zeurt niet wanneer je het eens een dag niet te eten geeft. Er zijn vast voldoende andere redenen, en betere, om de vergelijking een beetje onnozel te vinden.

Het verorberen van de laatste tomaat betekent evenwel niet dat het vandaag, 12 november, reeds helemaal uit is met de tomatenpret. In de diepvriezer zitten er nog minstens één portie spaghettisaus en een stuk of wat porties pizzasaus. Ooit schreef ik een stukje over diepvriespizza, en hoe je die (iets) lekkerder kan maken, maar die pizzavormige eenheidsworst speelt zich toch af in een geheel andere categorie als zelfgemaakte verse pizza.

Intussen zijn de laatste tomatenplanten naar de compostbak verwezen. Hun organische moleculen kunnen nu rustig reïncarneren in pissebedden of wormen, en later in knopkruid, radijzen of nieuwe tomaten. De kringloop van het leven. Ongeveer alles wat je eet, was ooit in atomaire of moleculaire vorm bestanddeel van uitwerpselen van weet ik veel welke dieren allemaal, in de loop van vele miljoenen jaren. “Alles wat wij opeten, werd ooit door een beest uitgescheten”, om het iets plastischer uit te drukken, en het rijmt nog ook. Maar laten we, om verdere wansmakelijkheden te vermijden, het hier toch maar voornamelijk hebben over m’n tomaten. Ik heb weer buitenproportioneel veel foto’s van de tomaten. Radijzen en selder zijn klaarblijkelijk minder fotogeniek.

Eind september werd het te koud en te nat voor de tomaten die buiten stonden. Zodra de groene tomaten een normale grootte hebben, kan je ze groen plukken en in huis verder laten afrijpen. Dat lukt prima. In de serre mochten ze blijven hangen tot midden oktober.

Onlangs las ik het stukje van een collega moestuinblogster over haar recente zadenshop. Het begon te kriebelen, en aldus bestelde ik enkele zaden. Ik moest me beperken, want kleine moestuin en kleine serre, maar ik kijk nu al uit naar de tomaten ‘Aunt Ginny’s Purple’, ‘Marmande’ en ‘Piccolo’ in 2021.

Daarnet had ik het over zelfgemaakte pizzasaus. Dat is een gemakkelijke manier om een tijdelijk overaanbod aan (vlees)tomaten om te zetten in iets smakelijks dat je lang kan bewaren. Je vindt genoeg recepturen op het WWW.  Wat ik teveel heb, vries ik in in dunne plakjes – op die manier is het heel snel te ontdooien.

Zo’n zelfgemaakte pizza ziét er niet alleen smakelijker uit, het ís ook smakelijker. So say we all!

Groeten,
Guy

Opmerking achteraf:
We hadden buiten het tomatenseizoen in de supermarkt eens tomaten gekocht die ik heel lekker vond. Ik had daarvan zaadjes bewaard en die heb ik dit jaar gezaaid. Het werden flinke tomatenplanten die mooi rechtop bleven groeien, en een grote opbrengst aan heel lekkere tomaten hadden. Geen idee welke variëteit het is. Ik noem ze dan maar gewoon “smaaktomaten van Delhaize”. Ik zaai ze zeker opnieuw in 2021.

gember

In februari ben ik begonnen met m’n gemberknolletje. Knolletje, wortelstok, rizoom of whatever, dat soort botanisch-semantisch gezeur kan me maar matig boeien. Om het in de termen van onze 15-jarige te zeggen: “Boeieuh!”
Nu bedenk ik me dat ik deze term al een tijdje niet meer gehoord heb. Hippe termen zijn zelden lang hip in tijden van door mondiale sociale media aangedreven trends, en al zeker niet in deze wispelturige leeftijdscategorie. In de tijdspanne die iets nodig heeft om de leeftijdsgroep +50 te bereiken, de groep waartoe ik mezelf ook al mag rekenen, is het in het tieneruniversum alweer iets uit een lang vervlogen tijd. Wanneer je daar als vijftigjarige nog mee komt aandraven, word  je onthaald op een blik die zegt “WTF probeert die ouwe zak nu jong te doen”.

Ik had gelezen dat je zo’n stukje gember met de nodige zorgen kan doen uitgroeien tot… welja, tot méér gember. Vrouwlief heeft, op beleefd verzoek van mezelf, een gezond uitziend stukje gember uit de lokale supermarkt meegebracht, helemaal conform de gegeven instructies met minstens één duidelijk en levensvatbaar ogend  ‘oog’.

Ik heb Knolletje – zo zal ik het voortaan noemen – op een bedje van zaaigrond in een bakje gelegd, de helft boven de aarde, en het geheel warm en vochtig maar niet nat gehouden.  Met m’n kweekbakje behield ik een constante temperatuur, en met wat plastieken rotzooi tevens een min of meer constante vochtigheid.

Het duurde drie weken vooraleer er duidelijke evolutie kwam in de twee ogen, dus in die tijd moet je zien dat de boel niet begint te rotten of beschimmelen.

Na een maand leek de toestand me genoeg gevorderd om Knolletje in een bloempotje te steken, en nog geen twee weken later ging het naar de pot waarin ik het zou laten opgroeien. Halverwege mei verhuisde Knolletje met pot en al naar de serre. Daar stond het in het hoekje met het meest schaduw, zoals het plantje het graag heeft volgens lui die het beter weten dan ik.

En dan kruipen we Barabasgewijs in de teletijdmachine, en vragen we ons ergens in oktober af of het nog niet tijd zou zijn om Knolletje te oogsten. Bleken er bloemstengels aan te staan. Nu kan je zeggen “Ooooh bloemen!” maar ik vroeg me vooral af of ik die stengels moet afknippen Want tenslotte gaat bloemvorming meestal lopen met een pak energie die anders in Knolletje blijft zitten. Vreemd genoeg kon het wonderbaarlijke web van wijsheid, dat anders overal een antwoord op weet én tegelijk het tegenovergestelde van dat antwoord beweert, me hieromtrent niet informeren. Ook de Twittermeute bleef me het antwoord schuldig.

Nu blijkt gember wel bijzondere bloemen te hebben, al bloeit het normaal gezien pas na twee of drie jaar. Ook wordt aangeraden om gember te oogsten na het verdorren van het gebladerte, wat hier nog niet het geval is. In de serre wordt het nu wel wat aan de koele kant, ook overdag. Ik overweeg om de plant in huis te nemen, de bloei te bewonderen en verder de kat uit de boom te kijken. Of ik de wereld op de hoogte zal houden van het verdere verloop? Voorzeker!

Inmiddels swingt corona verder de pan uit dan tevoren, en zijn de maatregelen opnieuw verstrengd. De horeca moet een maand lang sluiten. Volgens het VBO zijn er heel weinig besmettingen op de werkvloer, volgens bevoegd ‘Vlaams minister’ Weyts is er amper sprake van besmettingen op school, en nu is er volgens vele anderen ook geen noemenswaardig besmettingsrisico in de horecasector. Zou het dan toch de 5G zijn?

Groeten,
Guy

Update 23/11/2020
Met die bloemen werd het niks. Ik heb de pot niet in huis gehaald, maar in de serre laten staan. De dagen zijn reeds kort, en de nachten worden kouder. De bloemen werden bruin en slap, en ik dacht dat het nu wel tijd was om te kijken wat er in de pot zat. De pot was duidelijk vervormd door de gember die zich ontwikkeld had. De oogst was meer dan ik verwacht had: een mooie grote knol. Wat ik helemaal niet verwacht had, was om het oorspronkelijke Knolletje in ongeveer dezelfde vorm terug te vinden als ik het geplant had. De 60 gram Knolletje had 420 gram extra gember voortgebracht, dus had ik nu een kleine halve kilo gember in een bescheiden pot met diameter van 26 cm. Voor herhaling vatbaar!

Wat ik daarmee nu ga doen? Het nieuwe stuk ga ik wellicht fijnhakken of -raspen, met huishoudfolie in een soort worst rollen, en het zo invriezen. Dan kan ik nadien van de bevroren ‘worst’ de hoeveelheid afsnijden die ik wil gebruiken. Het oorspronkelijke knolletje ga ik eveneens fijnhakken maar in de arachideolie stoppen waarin nu ook een deel van het pas geoogste citroengras aan het ‘trekken’ is. Ik heb heel klein stukje geproefd van de verse gember, en nondedju, dit is véél pittiger dan wat je in de supermarkt koopt!

Toevoeging 06/12/2020:
Ik heb een klein stukje van de gember apart gehouden om te proberen om daarmee verder te kweken. Het is misschien niet het ideale tijdstip, zo nog voor de winter begint, maar als het lukt dan krijgt deze gember een heel lang groeiseizoen.
De eerste keer had ik een stuk gember meteen in een bakje met zaaigrond gestoken, en dan warm en vochtig gehouden in m’n zelfgemaakte propagator, want die stond daar toch nog voor de paprika en de tomaten.
Deze keer heb ik het stukje in een velletje keukenpapier gewikkeld en in een potje met wat water op de verwarming gezet. De gember ligt niet in het water, maar op een verhoogje zodat het net boven het water komt. Doordat er een deksel op het potje ligt, blijft het keukenpapier steeds vochtig. Ik heb er een sponsje onder gestoken zodat het potje niet té warm wordt. Om de twee dagen water en papier verversen om geen viezigheid te krijgen. Na 10 dagen zijn er zich duidelijk zichtbaar al drie uitlopers aan het ontwikkelen.

Toevoeging 02/01/2021:

Ik ben een stom kieken. Ik heb het stukje gember te diep in vochtige aarde gestopt, met het relatief verse snijvlak onder de aarde, en op de radiator aan wisselende temperaturen tussen 15 en 40°C blootgesteld. 3x fout dus. Het stukje is beginnen te rotten aan het snijvlak, en ik heb dat te laat opgemerkt. Binnenkort een nieuwe poging.

longtransplantatie: precies twee jaar geleden

Ik heb het hier en daar al eens vermeld, maar eigenlijk heb ik nooit veel over m’n longtransplantatie geschreven. Het is nochtans een vrij ingrijpende gebeurtenis. Twee jaar geleden was ik zo ongeveer aan het sterven – letterlijk dan. De longen wilden niet meer mee. Ik voelde me wel nog vrij goed en gelukkig en al, alsof zo’n permanente zuurstofslang, en de eindeloze reeks longdrainages, aerosoltherapieën, oefensessies bij de ‘longrevalidatie’ en hospitalisaties me nooit klein zouden krijgen, en alsof het normaal was dat ik in de apotheek m’n medicijnen niet kon vragen zonder even te moeten gaan zitten. Het lijkt als gisteren en tegelijk als zeshonderd jaar geleden.

Toen kwam het telefoontje waar ik al acht maanden op wachtte, en toch kwam het helemaal onverwacht. Het was een vrijdagochtend rond een uur of 10 ’s ochtends, en de Leuvense professor en longarts zelve zei me “Guy, we hebben longen voor jou”. Ik antwoordde iets als “Godverdomme… dan vertrek ik maar best naar Leuven zeker?” Ik belde naar vrouwlief, die me naar Leuven zou brengen maar op haar werk was. Ik heb een bad genomen, kwestie van me proper gewassen aan de dames en heren van het artsengild te onderwerpen. Ik bedacht me ook dat ik de komende weken geen deftige koffie meer voorgeschoteld zou krijgen. Er zijn slechts weinig plaatsen waar de koffie nog slapper en fletser is dan in UZ Gent, en UZ Leuven is er één van, dus nam ik nog de tijd om rustig koffie te drinken. Naderhand bedacht ik dat ik misschien beter ook nog de tijd genomen had om zelf m’n ballen te scheren. Maar goed, de stagiair-verpleger die me voor de operatie voorbereidde, heeft m’n klokkenspel met de nodige zorg behandeld.

Vrouwlief was inmiddels thuisgekomen, en na de koffie konden we vertrekken, met een vreemde mengeling van schrik en hoop. Natuurlijk liet ik nog een kort bericht na voor de kinderen, die op school zaten.

(‘doddy’ is ons inside gezinsgrapje en betekent gewoon ‘papa’)

Eén van de zorgen was: wat als er lange files zijn op de snelweg? Op weg naar een longtransplantatie is niet meteen de situatie waarin je in het verkeer vast wil zitten door onstuimige weersomstandigheden of door weer eens een ongeval op de Brusselse ring. De mensen van het ‘transplantatiecentrum’ hadden ons wel gerustgesteld en gezegd dat we in uiterste nood een politieescorte konden vragen om ons door de file heen te loodsen, maar je hebt toch liever een rustige rit. In de wagen bracht ik nog m’n naaste familie en beste vrienden op de hoogte, heel beperkt.

Zodra je je aanmeldt aan de spoedopname met “Goeiemiddag, ’t is voor een longtransplantatie” onderga je alles gedwee. Je wordt gewassen, geschoren, nog eens gewassen, van kop tot teen ontsmet, zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant.

Ondertussen worden ergens de longen van een minder fortuinlijke medemens uit z’n lichaam gehaald, naar het ziekenhuis gebracht en gecontroleerd. Terwijl je voorbereid wordt op de operatie weet je dus nog niet of de longen door de artsen goedgekeurd worden en de transplantatie zal doorgaan. Dat gebeurt simultaan om geen tijd te verliezen, want zo’n stel longen zonder functionerend lichaam blijft slechts enkele uren bruikbaar. Ik heb verhalen gehoord van mensen die tot 4 keer toe opgeroepen waren zonder dat het uiteindelijk tot een transplantatie kwam doordat de longen afgekeurd werden. Ik had geluk: de eerste keer raak.

Nu ben ik niet overdreven pessimistisch ingesteld, maar ik gaf mezelf een kans van 50% dat het allemaal wel goed zou komen. Het hielp natuurlijk niet dat één van de behandelende longartsen, die moest oordelen of een patiënt al dan niet in aanmerking kwam voor transplantatie, ons eerder verteld had dat de toen reeds uitgevoerde pre-transplantonderzoeken een maat voor niks geweest waren, want dat een longtransplantatie in mijn specifiek geval onmogelijk zou zijn wegens verregaande afwijkingen van de luchtpijp. Veel te sterk vergrote diameter van de luchtpijp, ontbreken van bindweefsel dat stevig genoeg voor de hechtdraad, en dat soort medische ongein. De chirurgen dachten er evenwel anders over, en veronderstelden dat ze de boel wel aan mekaar genaaid zouden krijgen. Dus werd ik alsnog op de wachtlijst gezet. Acht maanden was toen de gemiddelde wachttijd. Acht maanden later ging ik onder het mes. Ruim tien uur lang hebben ze zitten snijden, wringen, spoelen, trekken, naaien, en wat nog allemaal. Tussendoor ging m’n lichaam in anafylactische shock, maar niks dat een tijdig toegediende dosis epinefrine (adrenaline) niet kon oplossen. Men begon op een vrijdag te opereren. Toen ze klaar waren, was het zaterdag. Op zondag mocht ik uit narcose ontwaken. Ik zou vanalles kunnen zeggen over die eerste uren en dagen op IC, maar ook weer niet, want ik weet niet precies wat werkelijkheid was en wat niet. Er waren heldere momenten, en er waren momenten waarop het indrukwekkende instrumentarium dat aan m’n lijf hing en onafgebroken piepte en tuutte en tierelierde, eigenlijk muziek bleek te maken. Ik had geen besef van tijd.

Twee dagen later mocht ik naar de nagelnieuwe “mid-care”-afdeling, waar ik helemaal alleen in een vrij grote futuristisch aandoende kamer lag. Ook daar maakten de instrumenten muziek. Die dagen had ik intense pijn. Ik nam al geruime tijd fentanyl en oxynorm, sterke opiaten die ook wel gebruikt worden om heroïne mee te versnijden en soms voor overdosissen zorgen omdat ze nog sterker zijn dan heroïne. Longen bevatten dan wel geen pijnzenuwen, maar het longvlies daarrond des te meer, en dat heb ik geweten. Vóór de operatie lag ik thuis soms kermend in foetushouding op de vloer, niet meer in staat om nog iets te zeggen of te doen door een verlammende pijn bij elke poging tot ademhaling, en zo had ik nood aan steeds zwaardere pijnstilling. (Ik klemde soms een hard voorwerp in m’n armen dat ik zo hard ik kon tegen de borst perste, in een poging de oncontroleerbare pijn te onderdrukken door zelf toegebrachte pijn die ik wél onder controle had. Wat natuurlijk niet lukte. Een mens doet rare dingen in uitzonderlijke situaties.) Eén en ander had evenwel voor gewenning gezorgd, en mede daardoor bleek de (toch wel stevige) pijnstilling die ik na de operatie kreeg niet helemaal voldoende.

Nog eens twee dagen later werd ik naar een ‘normale’ kamer gebracht, waar wel strikte isolatiemaatregelen van kracht bleven. Enkel kort bezoek van naasten, en die moesten in een beschermpakje + handschoenen + mondmasker gehuld worden. Daar was het de luchtbehandeling die muziek maakte. Er staken meerdere slangen uit m’n borst en uit m’n zij, die dienden voor drainage van overtollig vocht, dus m’n bewegingsmogelijkheid was in het begin heel erg beperkt. Ik had ook nauwelijks de spierkracht om voedsel naar m’n mond te brengen.
De meeste slangen verdwenen na enkele dagen (de gaten werden gedicht door er een nietje in te meppen). Toen er nog slechts één drainagebuis uit m’n zij stak, hielpen twee dames van de kine me om aan de rand van het bed rechtop te zitten, en voorzichtig even rechtop te gaan staan, aan beide zijden ondersteund. Toen wist ik het wel zeker: ik zou hier de komende weken nog niet naar buiten stappen. Temeer daar m’n linkervoet verlamd bleek. Tijdens de operatie had ik ter hoogte van m’n linkerknie zenuwschade opgelopen door te lang onbeweeglijk in dezelfde positie te liggen. Verder onderzoek bracht aan het licht dat er reeds bestaande zenuwschade was, in beide knieën, wellicht doordat ik al m’n hele leven te pas en vooral te onpas in kleermakerszit zit. Als kind zat ik zelfs aan de eettafel in een soort halve kleermakerszit. Maar de recente schade die voor de ‘dropvoet’ zorgde, was niet onomkeerbaar en zou wel langzaam weer genezen. Doch voor de revalidatie hielp het niet om terug te proberen stappen, dat één van de voeten er maar wat hing te hangen. Toen die laatste slang uit m’n lijf gehaald werd, was dat alweer een stap vooruit. Met behulp van de rollator kon ik nu zelfstandig naar het toilet sukkelen voor een plasje. De Grote Boodschap bleef uit, m’n darmflora was volledig naar de kloten. Tot op heden is dat deel van m’n spijsvertering niet meer wat het geweest is. Nog steeds bijna dagelijks darmkrampen en tot vier maal daags naar het ‘groot toilet’ moeten, soms vrij plotseling en dringend. Ik las ergens over experimenten waarbij men jouw kak van vóór de operatie bijhoudt, daar de levende darmflora uithaalt, en die nadien op én of andere manier terug in de darmen aanbrengt. Misschien wordt dat in de toekomst wel een normale procedure.

het revalidatietrapje op de afdeling – hoe moeilijk was het in het begin om hierop te gaan staan

Enfin, na heel wat gedoe en oefeningen met een rollator en traptreden kon ik drie weken na de operatie naar huis strompelen. Dan verder revalideren: twee keer per week ‘longrevalidatie’ in het UZ Gent, twee keer per week kine voor de dropvoet, en elke week op en af naar Leuven voor controle.

De eerste twee maanden mocht ik niet zelf met de auto rijden, dus dat zorgde wel voor  logistieke ongemakken, vooral voor vrouwlief die me overal naartoe moest brengen. Twee maanden later kreeg ik een attest dat ik terug zelf mocht rijden, en de frequentie van de controles verminderde. Momenteel is dat om de drie maanden, en één keer per jaar een meer uitgebreide controle met een opname gedurende drie dagen.

Morgenochtend ga ik weer naar Leuven voor de jaarlijkse controle. Ik was eerder van plan om met de trein heen en weer te gaan, want er is een vrij goede verbinding, en bovendien kreeg elke Belg enkele gratis treinritten aangeboden om het coronaleed voor de toeristische sector te verzachten.  Maar no way dat ik op een trein stap net nu het aantal coronabesmettingen aan het ontploffen is. Behoorlijk stom dat die treinritten zo’n beperkte geldigheid hebben.

Groeten,
Guy

****************

Naschrift: Ben jij of één van jouw naasten ook in afwachting van een longtransplantatie, en heb je twijfels of vragen? Stel me gerust eender welke vraag over deze toch wel ingrijpende gebeurtenis, wat eraan vooraf gaat, of wat erna komt. Of over transplantatie van andere organen zoals lever of hart, want bepaalde aspecten verlopen heel gelijkaardig. We gebruiken eventueel een discreter kanaal, als je dat wenst.

Pesto! Sambal!

In een eerder stukje zeurde ik over basilicum, en dat ik daarmee ooit wel eens pesto zou maken en zo. Het kwam er maar niet van.
Maar of ik intussen eindelijk pesto gemaakt heb? Jazeker!
Fuck pijnboompitten evenwel, wegens veel te duur. Ik vond een doosje cashewnoten in de kast, en ik heb deze maar gebruikt. (we hebben een massa verse en tevens gratis okkernoten liggen, maar is dat niet te bitter? En wat met dat bruin pelleke?)

Het is dus geworden:
– 60 gram basilicum (gewicht droog aan den haak)
– 60 gram cashewnoten (droog geroosterd in een pan)
– 70 gram parmezaan (het was alleszins iets gelijkaardigs)
– 8 cl olijfolie (+een klein scheutje van m’n mediterrane kruidenolie)
– twee dikke tenen look (ik heb graag look)
– een weinig gemalen peper
De hele reutemeteut in een grote maatbeker gepropt, en daar dan de staafmixer op losgelaten. Heerlijk!

zo ziet 60 gram basilicumblaadjes eruit, gewassen en min of meer droog gemaakt met de slazwierder
(water mengt niet met de olie in de pesto)

Natuurlijk is het te veel om direct naar binnen te spelen, dus meer dan de helft ging meteen de diepvriezer is. Hierbij nog een gratis tip: zulke dingen kan je met huishoudfolie in een rolletje invriezen. Later kan je van die bevroren pestoworst de portie afsnijden die je wenst te gebruiken. (als je de pesto liever meer vloeibaar hebt, kan je gewoon een beetje extra olie door de pesto roeren)

Terwijl ik dit zit te schrijven, ben ik Tortilla Chips met pesto aan het vreten, wegens ontzettend lekkere pesto, en merk ik dat de pesto donkerder wordt waar het pesto-oppervlak een tijdje in contact is met de lucht. Ik heb wat citroensap geperst en een weinig erdoor gemengd.
* toevoeging 30 minuten later: Het gebeurt nog steeds, weliswaar veel minder. Méér citroensap ga ik niet toevoegen wegens mogelijks verknoeien van de smaak.*

Hey, nu ik toch bezig ben over m’n kookperikelen, zal ik ook maar meegeven hoe ik m’n sambal oelek precies gemaakt heb. Zoals je weet, of ook niet, heb ik dit jaar voor het eerst veel meer pepertjes dan ik zomaar kan gebruiken. Wanneer je veel pepertjes oogst, kan je ze invriezen, drogen, of bewaren door er sambal van te maken. Ik heb hier enkele links met recepten geplaatst, onder het lemma ‘paprika en peper’. Zelf ben ik voor een versie met veel zout gegaan, met het oog op langere bewaring.
Ik begon met een verse oogst van 1100 gram habanero, jalapeno en Spaanse peper. Na het kuisen was daar nog ruim 900 gram van over. Van de habanero’s heb ik enkel de allergrootste zaadlijsten verwijderd, verder liet ik de meest zaadjes er gewoon bij. Fijn hakken, samen met een hele bol look, en met 150 gram zout op een zacht vuurtje zetten. Zachtjes het vocht laten uitkoken tot de gewenste consistentie. (laten aanbranden = vuilbak!) Tussendoor nog 4 eetlepels azijn, 4 eetlepels suiker (naar smaak) erbij roeren, en een scheutje olijfolie. Zodra klaar: nog warm in gesteriliseerde bokaaltjes doen, en klaar is Kees, of hoe de kok van dienst ook moge heten. Van die ruim een kilo pepertjes had ik uiteindelijk een halve kilo sambal. Zulke kleine bokaaltjes zijn ook handig om cadeau te doen.

Dit was de tweede ‘batch’ sambal oelek die ik maakte, en er komen nog voldoende pepertjes aan voor een derde partij. Ik ga er dan wel op letten dat de sambal iets vloeibaarder is, en een tikje meer olijfolie bijvoegen, om minder luchtbelletjes in de gevulde bokaaltjes te krijgen. Als je iets een tijd wil bewaren, vermijd je best luchtbellen in de bokaal.

En nu ga ik rustig verder Westmalle Dubbel drinken, vooraleer het hier een fokking kookboek wordt. Een oude vriendin – oud in de betekenis van ‘reeds lange tijd’ – zou vanavond langskomen om samen pizza te maken en te eten (zelfgemaakte pizzasaus! – néé ik ga hier niet nóg een recept schrijven), maar telefoneerde om te melden dat een kwalijke hoest zich meester gemaakt had van haar luchtwegen. De kans is groter dan het een verkoudheid betreft dan COVID-19, al is die laatste qua aantal besmettingen per dag momenteel alle records aan het verbreken, maar gezien m’n medische achtergrond is het maar beter om geen onnodige risico’s te nemen.

situatie COVID-19 op 09/10/2020

De dame in kwestie drinkt al gaarne eens een Westmalle Dubbel, en bij voorkeur zelfs twee of drie, en ik sluit niet uit dat het er soms wel eens méér zijn. Het behoeft geen verdere toelichting waarom we nu meer van het desbetreffende bier in huis hebben dan doorgaans het geval is, en wie ben ik om niet te zorgen dat de toestand zo snel mogelijk weer genormaliseerd wordt. En het is nog vrijdag ook.

Dat doet me eraan denken: tegenwoordig weet ik vaak niet eens welke dag van de week het is. “Nog een goed weekend he” riep ik gisteren de installateur van onze nieuwe badkamer nog na toen hij weer vertrok. Op een normale donderdagvoormiddag. Zo’n coronacrisis is niet goed voor iemands tijdsbesef. Vóór de scholen terug open waren, had ik zelfs op het merendeel van de dagen geen idee welke dag van de week het was. Op sommige dagen ging dat gemakkelijker dan op andere. Bijvoorbeeld: als vrouwlief frieten begon te bakken, dan was het zondag. Maar laat ons hier vooral niet te ver uitweiden. Gesundheit!

Groeten,
Guy

Toevoeging 17/10/2020:
Nog enkele tips wanneer je sambal maakt:
– Draag wegwerphandschoenen. Nitril handschoenen zijn beter geschikt om lange tijd met pepers te werken dan latex handschoenen. (de blauwe handschoentjes zijn vaak nitril en de witte latex)
– Wanneer je toch met blote handen met pepers in de weer geweest bent: blijf met uw vingers uit uw ogen! En wees voorzichtig bij het bepotelen van euh… andere gevoelige lichaamsdelen!
– Snij de pepers steeds eerst eens middendoor – het kan voorkomen dat je aan de buitenkant niks ziet, maar de binnenkant beschimmeld is.

ok aan de buitenkant, niet ok aan de binnenkant

– Als je een keukenrobot gebruikt: hak de boel fijn genoeg, maar niet té fijn. Het moet tenslotte geen peperpuree worden.
– Doe het zout er meteen bij. Het zout helpt om water aan de fijngehakte peper te onttrekken.

Toevoeging 18/10/2020:
Die zelfgemaakte sambal vind ik bijzonder lekker, lekkerder dan eender welk pikant spul ik ooit in de winkel kocht, doch je weet wat er gezegd wordt over smaken en kleuren.
En hier de derde en laatste batch sambal oelek van 2020:

creatief met afval: een miniserre

Ik vermeldde vorige keer dat er vanalles aan de hand is in onze badkamer. Die was hoognodig aan een renovatie/update toe, en Poolse vaklui zijn er druk in de weer met gyproc en wandtegels. Dat heeft geen hol met het moestuingebeuren te maken, maar het is wel een brug naar een nieuw item in de reeks “creatief met afval”.

Voorafgaandelijk haalde ik alles uit de badkamer weg wat los zat, en ook alles wat vast zat. Nu ben ik van het type “geef me een hoop rotzooi en ik probeer er iets mee te maken” – er bestaat vast een wetenschappelijke psychologische term voor. En nu zat ik met onder meer een oud douchescherm, een groot en stevig wegwerppallet waarin de nieuwe doucheplaat veilig verpakt zat, en een stukje golfplaat dat ik voor de buurvrouw wel naar het containerpark zou brengen ‘want we moesten toch gaan’. Afbraak van de oude badkamer voorzag me ook van een hoop schroeven en hoekprofieltjes. Wat gezaag, geboor, gevijs en enkele uren later had ik een kleine minikas gemaakt. Het lijkt me ideaal om in huis opgekweekte zaailingen in het voorjaar buiten te zetten, ook wanneer het daar misschien nog een tikkeltje te koud voor is, en om in huis voorgezaaid plantgoed te laten ‘afharden’, zoals dat heet. Voor alle zekerheid is het bovenste gedeelte gemakkelijk van de houten onderkant afneembaar, zodat ik het desgewenst ook op volle grond kan gebruiken.

Eigenlijk is mijn ‘grotere’ serre, die ik overigens toch maar beter ‘mijn kleine serre’ noem, vooral wegens de afmetingen, ook volledig opgetrokken uit afvalmateriaal. Toen ik – meer dan 15 jaar geleden – op het werk enkele ramen van het bedrijfsgebouw liet vervangen, zag ik daar mogelijkheden in, temeer daar ik eerder ook al beslag kon leggen op de dubbelwandige polycarbonaatplaten van de pas afgebroken veranda van de buren. Ik vroeg aan de installateur om enkele van de uitgebroken ramen aan m’n woning af te zetten. Met metalen profielen en wat hulp van een vriend schroefde ik de zware ramen aan mekaar vast. Met de polycarbonaatplaten maakte ik het dak. Eén raam had gebroken glas. Dat glas haalde ik eruit, en verving het door een stuk polycarbonaatplaat. Dat raam werd de lichte en gemakkelijk hanteerbare deur.

Van enkele ramen was het draai- en kipmechanisme defect – maar niet alle ramen hoefden open te kunnen, als ik er maar enkele in de kipstand kon zetten. Eén raam had ook last van condensatie tussen de beide glasplaten van het dubbel glas. Er was natuurlijk een reden waarom die ramen vervangen werden. De serre was niet erg groot maar wel nagenoeg gratis. De kosten bleven beperkt tot wat beton om een weinig fundering te hebben, en een zakje van die afdekbare schroeven om het dak te bevestigen (het restant daarvan kon ik nu gebruiken voor m’n miniserre)

Nu is het me niet enkel om de geldbesparing te doen, althans dat tracht ik mezelf wijs te maken, maar ook om het feit dat afval niet steeds afval hoeft te zijn. Er worden voortdurend onvoorstelbare hoeveelheden perfect bruikbare spullen weggegooid om te verbranden en te storten, en tegelijkertijd blijven de productiemachines overal op de wereld draaien om nieuwe spullen te produceren die je ook met dat weggegooid spul zou kunnen maken.

Want de economie moet eeuwig blijven groeien, hoger dan de hemel, to infinity and beyond! Dat maakt me soms een klein beetje boos, en al zal ik de wereld niet redden met mijn gebricoleer met afval, het zal toch weer iéts minder mijn schuld zijn als de wereld naar de kloten gaat.

Groeten,
Guy


Toevoeging 01/10/2020:
Terwijl de basilicumplantjes buiten verpieteren door het aanhoudende koude, natte en donkere weer, doen die in m’n nieuwe bak het uitstekend:

rode kool

Tussen alomluidend gezaag en getimmer – men is hier druk doende met een transformatie van onze badkamer – heb ik het hier even over rode kool. Het is niet alleen de enige kool die ik te vreten vind, ondanks de typische koolachtige stank bij het bereiden, ik vind rode kool zelfs heel lekker. Mits klaargemaakt met de helft appelen natuurlijk. Ik ben de enige in ons gezin die het eet. Nu ja,  vrouwlief zal beleefdheidshalve ook wel een schepje mee-eten, evenwel niet van harte, en nog liever trekt ze haar neus op voor deze purperen groente. Om maar te zeggen: veel rode kool hebben we hier niet nodig. Het gebeurt wel eens dat we een portie krijgen van m’n moeder, want zo’n kool is toch meteen een heleboel vreten voor twee personen, en dan eet ik twee dagen rode kool. In m’n kleine lochtingske vielen recentelijk de twee rode kolen te oogsten.  Ik had gemikt op drie of vier exemplaren, maar het prille zaaigoed besliste daar op eigen houtje anders over in het voorjaar. (M’n eerste zaaisel leverde zelfs geen enkel plantje op – het zakje zaden was ook wel al enkele jaren oud.) Eigenlijk maar goed ook, want we hebben geen plaats teveel in onze kleine diepvriezer.
Doet me eraan denken: hopelijk krijgen we de komende winter enkele vriesdagen. Zo’n ijzige periode, waarin je de inhoud van de diepvriezer tijdelijk buiten kan zetten, is ideaal om de diepvriezer eens te ontdooien. Vorige winter hadden we geen énkele ijsdag, en bijgevolg is onze diepvriezer al bijna twee jaar niet meer ontdooid geweest. Volgens herauten van alternatieve waarheden is er evenwel helemaal niks aan de hand met het klimaat, en al zeker niet ten gevolge van menselijke activiteit, maar laat ik vooral niet te veel aandacht besteden aan deze feitenvrije ‘klimaatrealisten’, zoals ze zichzelf graag noemen op sociale en minder sociale media.

De Chinese wolhandkrab die we twee weken geleden in onze tuin aantroffen, zie ook vorig stukje, is intussen zo goed als gepromoveerd tot huisdier. De emmer is een stukje krabvriendelijker gemaakt, en het beestje verschuilt zich overdag graag onder een druivenblad, waarvan ze ook eet. Qua eten is zo’n beest niet kieskeurig, wat natuurlijk wel een pluspunt is voor een huisdier.


Bij het opsnorren van de foto’s viel m’n oog op deze twee beelden. Ze zijn allebei gemaakt op dezelfde dag op hetzelfde tijdstip. Ik vind ze te mooi om ongezien te laten (die kleuren!), en hey, wat valt er verder te vertellen over rode kool dat niet reeds ergens op het WWW verteld wordt? Beide foto’s zijn gemaakt vanuit onze tuin op 21 juni omstreeks 22:00 uur, de ene naar het westen en de andere naar het oosten.


Zaaikalender rode kool:

(bron: Diana’s mooie moestuin)
(bron: VELT)


M’n foto’s:

Groeten,
Guy

biodiversiteit en de fortificatie van het kippenhok

Deze week ontdekte ik stoemelings een geweldig interessante website over moestuinieren. Hoe ik het mogelijk dat ik deze nog nooit gezien had tijdens m’n vele virtuele  omzwervingen en surfpartijen op de golven van Wereldwijde Web van Wijsheid. Een beetje stom wel dat ik op die hele site geen zoekfunctie terugvind, al sluit ik geenszins uit dat dit volledig aan mij ligt. Als jullie iets willen bijleren over moestuinieren en het kweken van deze of gene groente, dan kan ik enkel aanraden om m’n gekrabbel te laten voor wat het is en dáár een licht te gaan opsteken, of twee.

Ook deze week ontving ik een doos met levende inhoud. Door perikelen met m’n compostbakken zat daar nog maar weinig leven in. Té weinig voor een efficiënt compostering, merkte ik. Gebrekkig onderhoud door een gebrekkige gezondheid zal daar ook wel iets mee te maken hebben, vermoed ik, alsook de extreme droogtes van de voorbije drie jaar. “Maar de klimaathysterie is een hoax, verzonnen om de mensen onder de knoet te houden!” aldus het getoeter van bepaalde van de pot gerukte alt-right kringen met een grotere aanhang dan goed is voor ons allemaal. Yeah right. De gebrekkige gezondheid is intussen, zo goed en zo kwaad als mogelijk was, voorlopig opgelost. Aan de gebrekkige compostering wordt gewerkt. De gebrekkige mondiale klimaatmaatregelen schat ik een stuk minder optimistisch in. Maar laat ons het hier nu niet over hebben. Ik ben in een te goede stemming om zin te hebben in cynisme. Ik had dus compostwormen besteld, en deze werden vandaag per post geleverd. Drie kilogram compost tjokvol kleine wormen en eitjes. Meteen een nieuwe thuis geschonken in m’n twee compostbakken.

Maar over het kiekenskot dus. Mijn kiekens worden bedreigd door biodiversiteit. Het is me wat, die biodiversiteit. Ik heb niks tegen biodiversiteit, integendeel, maar ze moet met haar tengels van m’n kiekens afblijven. Op Twitter, dat dekselse sociale medium met rechtstreekse verbinding naar de open riolen van eigen-volkers en ander alt-right, gooi ik al eens iets in de virtuele groep over ratten, vossen of marters die zich ’s nachts dichter bij m’n kiekens wagen dan me lief is. Dat laat ik dan vergezellen van nachtelijke beelden van de biodiversiteit in kwestie. “Jamaar, je moet blij zijn dat er nog wilde dieren in de omgeving voorkomen”, antwoorden sommigen. Jaja, tot ze m’n kiekens opeten natuurlijk. De lui uit die open riolen daarentegen, lopen doorgaans helemaal niet zo hoog op met biodiversiteit en dat soort linkse gekkigheid. Of is het gekke linksigheid?

Nu staat het nachthok van de kiekens in een soort vosbestendige kooi, of tenminste vosbestendig wanneer het luikje ’s nachts niet blijft openstaan. Vorig jaar in oktober was ik op één nacht vier van de vijf kiekens kwijt. Slechts één kieken was ongedeerd gebleven, eventuele posttraumatische stress niet te na gesproken. Een ander kieken lag in de ren, zonder kop weliswaar, en de overige drie waren spoorloos verdwenen op enkele pluimen na. Sindsdien let ik er beter op dat het luikje elke avond goed afgesloten is, en laat ik ’s nachts als extra maatregel een knipperlichtje op zonne-energie branden buiten aan het kiekenskot. Mogelijks schrikt dat ongewenst gezoek een beetje af. Ik kan me ook inbeelden dat  het tevens een afschrikmiddel kan zijn voor een ander type ongewenst bezoek. Ik spreek niet uit ervaring – ik koos voor een veiliger loopbaan – maar als ik zelf een inbreker zou zijn, dan koos ik als doelwit wellicht liever een plaats waar ik géén rood licht in de tuin zie knipperen. Er gaat ook automatisch een ‘gewoon’ LED-licht branden bij detectie van warmbloedige fauna, en intussen ben ik aan het knutselen aan een infrarooddetector die woest hondengeblaf laat horen. Een proefversie ligt reeds klaar, voorlopig met de wellicht behoorlijk infantiele zelf ingesproken mededeling “Woef woef woef! Ga weg, stoute vos! Woef woef woef!” Vossen zijn bang van honden.
Onlangs registreerde m’n wildcamera ook een beest dat verdacht goed op een steenmarter leek. De dag nadien bleek dat er bij één van de buren een kip de kop afgebeten was, terwijl z’n andere kiekens ok waren. De signatuur van een marterachtige bezoeker. Ik besefte dat m’n kiekenskot wel vosbestendig, maar misschien niet marterbesteding was, met die mazen van 5 x 10 cm. Zowel vossen als die marter zijn gefotografeerd op amper 10 à 15 meter van m’n kiekenkot. Ik heb nu het hele kot met fijnmaziger gaas afgesloten, en ook de kieren aan het luikje en de toegangsdeur zijn helemaal dichtgemaakt. Zelfs een rat geraakt er niet meer door. Een muis wel, maar dat kan me niet veel schelen.

Wat ik in de lente wel een beetje zal missen, dat zijn de mussen en andere kleine vogeltjes die graag eens een graantje kwamen meepikken van het kippenvoer, en tijdens het grootbrengen van hun jongen gedurig af en aan vlogen. Ze kunnen nu niet meer door ‘den draad’.

Over biodiversiteit gesproken: soms is het een beetje teveel van het goede, zodanig dat het zelfs helemaal niet goed meer is. Deze week zag ik in het gras iets bruins bewegen. Eerst dacht ik dat het een blad was dat door de wind bewoog, maar het bleek een modderfokking krab te zijn. Een Chinese wolhandkrab, een schadelijke exoot die hier niks te zoeken heeft, en al zeker niet in mijn tuin, biodiversiteit of geen biodiversiteit. Toch een beetje schrikken om dat onverhoeds te zien lopen. Maar dit is niet de eerste keer. Laat op een septemberavond in 2016 zaten we rustig naar televisie te kijken, toen we plots iets aan het schuifraam hoorden krabbelen. M’n eerste idee was dat het de egel was die elke avond z’n ronde deed en op ons terras passeerde. Toen ik, gewapend met een zaklamp, de bron van het krassende geluid ging controleren, schrok ik me een middelgroot ongeluk toen ik de flink uit de kluiten gewassen krab zag, die langs het raam omhoog trachtte te klimmen. Enkele meters verderop ontdekte ik een tweede en kleiner exemplaar. Die moeten ruim een kilometer verderop uit de Ringvaart gekropen zijn, en de ringweg en een drukke snelweg gekruist hebben om tot hier te geraken.

Enfin, nu zitten we hier met een levende krab in een vaatje. Ik heb vandaag toch maar gewoon tomatensoep gemaakt.

Groeten,
Guy

komkommer (Cucumis Sativus)

De komkommers vliegen ons weer rond de oren. De komkommer is in de zomer een vaste gast in m’n kleine serre. Geen enkele groente zegt meer “hehe, het is zomer!” dan zo’n sappige komkommer. Jarenlang kocht ik in de maand mei twee komkommerplantjes bij een lokale neringdoener. Heel gemakkelijk: thuis in de grond steken, water geven, en wachten tot er komkommers aan groeien. Dit jaar heb ik voor het eerst zelf komkommers gezaaid. De eerste zaailingen werden naar het komkommerhiernamaals verwezen door een vraatzuchtige slak, mogelijks geholpen door medeplichtige soortgenoten, maar in de tweede helft van mei heb ik tenslotte twee exemplaren uitgeplant in de serre. Ik zet er steeds twee in m’n serre, want je weet maar nooit dat één plant niet goed gedijt. (Eénmaal heb ik het meegemaakt dat één van de twee planten verkommerde, verpieterde en verschoeperde en zo goed als geen vruchten voortbracht.)  In mei had ik nu evenwel vijf stevige en gezonde zaailingen, en aangezien het een variëteit betreft die ook voor buitenteelt geschikt is, heb ik ze maar naast de augurken gezet.  (Een exemplaar heb ik aan m’n schoonvader gegeven.) Gevolg is dat we nu overspoeld worden door komkommers. Ik heb er vandaag zelfs in de spaghettisaus gedraaid. Heel erg lekkere spaghettisaus was dat trouwens, met verse tomaten, paprika, peper en een verse kruiden uit ‘den hof’. Niks tomatenpuree uit blik. De komkommers die zich het best verstoppen tussen het gebladerte en die ik pas ontdek wanneer ze te groot zijn en vol pitjes zitten, gaan naar de kippen.

Intussen lijkt qua zomer het vet een beetje van de soep te zijn. Nu de hoogste temperaturen wellicht achter de rug zijn, en er weer wat nattigheid uit de lucht valt, was het tijd om terug aan het zaaien te slaan. Er was immers wat plaats vrij waar eerder de tuinbonen, de mangetouts en de aardappel stonden. Ik schreef aardappel in het enkelvoud omdat ik één enkele patat gepoot had. Ik was geenszins van plan om dat te doen. M’n eerste pogingen om patatten te laten groeien in m’n klein lochtingske, inmiddels meer dan tien jaar geleden, waren geen groot succes. Nadien heb ik het niet meer geprobeerd.  Op een goede dag, ergens in april 2020, troffen we tussen onze voor culinaire doeleinden aangekochte patatten een exemplaar aan met zoveel uitlopende ogen dat het ietwat ontmoedigend was om aan het schillen te beginnen. Dus heb ik die, lui als ik ben, opzij gelegd en later gewoon in de grond gestoken. Nu moet ik zeggen dat die patat zich daar zo te zien bijzonder in z’n nopjes voelde, en ons voorzien heeft van een flinke portie mooie grote aardappelen. Soms loont luiheid.

Op het vrijgekomen plekje van de patat heb ik rucola gezaaid, en op de andere plaatsen sla, radijzen en Chinese kool. Maar over komkommers dus. De planten in de serre groeien nogal weelderig. Ik had er enkel een stok naast gezet, maar de planten groeien zo uitbundig dat een bamboestok te beperkte klimmogelijkheden biedt. De stengels vallen naar beneden of klampen zich vast aan naburige tomatenplanten. Ik bind ze hier en daar wel op met wat touw, maar volgend jaar ga ik daar iets beters voor verzinnen, een soort klimrekje of zo.

Foto’s 2020:

Groeten,
Guy

augurken: it’s all about physics

Wat zouden we zijn zonder osmose? Om toch een antwoord te geven op de retorische vraag: dood. Osmose is één van de processen die ons leven mogelijk maken.  Ik trachtte dit in gezinsverband aan tafel aanschouwelijk uit te leggen aan de hand van m’n pot augurken, doch de kinderen waren geen hol geïnteresseerd, en vrouwlief zo mogelijks nog minder. Nochtans komt dit fysische verschijnsel ontzettend vaak voor, en we zouden zelfs niet kunnen leven zonder. Je kan het osmotisch principe ook omkeren, maar dan wordt het doorgaans iets technologisch om water te zuiveren, en is het ook het principe achter nierdialyse.
Alvorens augurken in te leggen, pleur je er eerst een heleboel zout op, of leg je ze in water met veel zout. Op die manier wordt water onttrokken aan de augurken, dat je later vervangt door een mengsel azijn/suiker/kruiden naar wens. De augurken drogen eigenlijk uit door ze in (zout) water te leggen. Osmose dus. Ook de reden waarom zoutwatervissen verdrinken in zoet water. Deze blog hééft al geen lezers, bedenk ik me net, en dit belerend gezeur verjaagt nu vast ook de laatste toevallige bezoeker ijlings naar boeiender virtuele stekken. Geen nood, ik zeur wel vaker in het ijle.

Intussen stopte ik even met schrijven om het kippenhok af te sluiten, en merkte ik dat de wind stormachtige proporties aan het aannemen is en m’n buitentomaten belaagt. Twee bamboestokken waren bij de grond afgebroken, dus drong enig snel lapwerk met stokken en wat touw zich op. De voorbije hittegolf wordt momenteel afgelost door veel regen. Ook heb ik door de weersomslag en de bewolking geen enkele f***ing Perseïde gezien dit jaar.

Van normale seizoenen kunnen we al enkele jaren niet meer spreken. Tot 2017 stond er een groot deel van het jaar water in de gracht naast m’n moestuintje, en een spadesteek in de grond bracht soms wel tien regenwormen naar boven. Maar toen kwam het extreem droge jaar 2018, gevolgd door een droog 2019 en een uitzonderlijk droog voorjaar in 2020. Het voorbije jaar heeft er één keer korte tijd water in die gracht gestaan, in februari, en toen regende het zo intens dat de hele boel overstroomde en m’n lochtingske en kippenren bijna blank stonden. Regenwormen kom ik amper nog tegen. Het grondwaterpeil is hier op drie jaar tijd zowat een meter gezakt.

Eigenlijk was ik niet van plan om eender wat met augurken te proberen. Een bevriende moestuinier bezorgde me evenwel enkele jonge plantjes, in ruil voor de peperplantjes die ik in het voorjaar teveel had. De augurken die je in bokaaltjes in de winkel koopt, of die je in een bepaald soort eetgelegenheden bij een burger krijgt, lust ik eigenlijk niet. Maar ik las dat je de smaak min of meer zelf kunt bepalen als je ze zelf maakt. Bij het inleggen zijn de augurken misschien helemaal slap, maar voeg een takje dille toe, en ze worden weer helemaal knapperig. Dus heb ik nu vier augurkenplantjes in m’n klein lochtingske, en heb ik reeds de eerste pogingen gewaagd met verschillende kruiden. Over twee à drie maanden komen we te weten of dit iets eetbaars voortbracht, en zo ja, of het ook smakelijk is.  

Met vier plantjes lukt het me niet om in één oogst voldoende augurkjes van het gewenste formaat te hebben. Ik pluk er dagelijks twee of drie, en spaar ze op tot er voldoende zijn om met de potten en bokalen aan de slag te gaan. Maar laat die dingen één dag te lang hangen en ze zijn te groot.

Ik laat hier later vast en zeker ook weten welke kruidenbrouwsels het beste resultaat hebben naar mijn smaak. Niet dat mijn persoonlijke smaak een referentie is. Ik lust bijvoorbeeld ook graag jonge kaas met choco, of rode kool met samuraisaus. U weze gewaarschuwd.

Groeten,
Guy

Toevoeging 29/12/2020:
– potje met dille, citroengras, limoenblad, tijm, gember, peper: njammie heel geslaagd
– potje met dille, dragon, look e.a.: ook geslaagd!

Toevoeging 18/06/2020:
Elk potje had een andere kruidenmengeling (ook salie, laurier, verse paprika/peper, rozemarijn en koriander kwamen er onder meer aan te pas, maar ik heb nu niet meteen ingrediëntenlijsten en scores bijgehouden om achteraf te besluiten wat nu precies het beste was. Ze waren allemaal anders, en er was er geen enkele bij die niet te vreten was. Ik had ook een potje aan m’n ouders gegeven, en naar verluidt vond m’n vader ze zo lekker dat hij het hele bokaaltje leeg gevreten heeft.
Wat zeker het vermelden waard is: in één potje had ik geen dille gedaan. Dat was het enige potje waarin de augurken niet knapperig waren. Dus zeker dille toevoegen als je geen slappe augurken wil. Ik heb na opening alsnog een takje dille in dat potje gestopt, een een tiental dagen later hadden de augurken al meer ‘beet’. Het werkt dus ook na het openen nog.

Toevoeging 18/08/2020:
Voor wie geïnteresseerd zou zijn, vermeld ik nog even hoe ik ze gemaakt heb:
– augurken wassen, met schuursponsje stekels/haartjes verwijderen, topje afsnijden
– 36 tot 48 uur in zoutbad om water uit de augurken te trekken
– zout afspoelen
– kruiden naar keuze in gesteriliseerd (afgekookt) bokaaltje doen en verder vullen met augurken
– tot de rand aanvullen met kokend heet mengsel azijn/witte wijn/water/suiker
(verhoudingen mengsel: 200 ml azijn – 150 ml witte wijn – 150 ml water – 60 g suiker)
– alles moet volledig ondergedompeld zijn
– bokaal goed sluiten terwijl nog warm
– minstens 2 maanden laten staan op donkere plaats
De augurken die ik in 2020 ingelegd heb, waren in juli 2021 nog perfect goed.

citroengras (sereh)

27 juli 2020, een klein half jaar na het eerste geval van COVID-19 in ons land, en ruim 4 maanden na de eerste landelijke “lockdown”, zit het nog steeds niet snor met dat dekselse virus. Na maanden van ongezien politiek geklungel, op nationaal niveau en nog meer op Vlaams niveau, komt er nu een tweede besmettingsgolf aan. De lui die voortdurend stonden te toeteren dat de maatregelen zo snel mogelijk, en liefst nóg sneller, moesten versoepeld worden – want de economie en al! – staan nu hypocriet te huilen dat er door alle andere niet doortastend genoeg opgetreden wordt. Na maandenlang alle waarschuwingen genegeerd te hebben, en het aanhoudend belachelijk en ongeloofwaardig proberen te maken van waarschuwende virologen, wil een bepaalde politieke strekking zich nu alsnog opwerpen als redder van het volk. Het Vlaamse Volk weliswaar, van de rest liggen ze niet zo wakker, tenzij er propagandagewijs kan over bericht worden in negatieve stigmatiserende termen. Maar we zouden hier niet over politiek zeuren, nam ik me optimistisch voor, want daar wordt tenslotte niemand beter van. Wie alles, ja echt álles wil weten over corona kan overigens op deze blog terecht.

Laat mij het dan maar rustig hebben over citroengras, bij onze noorderburen doorgaans ‘sereh’ genoemd. Citroengras is een veelgebruikt ingrediënt bij Oosterse gerechten, en is tegenwoordig in heel wat supermarkten als stengel te verkrijgen. Een eigenschap van deze stengels is dat je ze gemakkelijk kan doen wortelen. Je moet natuurlijk stengels nemen die er nog ietwat vers uitzien, en laag bij de grond afgesneden zijn zodat er nog een stukje wortel aanhangt. Een heel klein stukje wortel is genoeg, zelfs met amper een millimeter lukt het. Met een heel fijn scherp mesje snij je een flinterdun stukje van de onderkant af, zodat het verdroogde snijoppervlak weer water kan zuigen. In een bodempje water zetten en hopla, onmiddellijk begint het blad te groeien, en vrij spoedig groeien er wortels aan de stengel. Klimaatopwarming ten spijt leven we echter (nog?) niet in een tropisch klimaat alwaar citroengras zich van nature opperbest voelt. Je kan het pas buiten planten zodra er geen kans meer is op vorst, en onze zomers zijn nadien stomweg ietwat kort om deze heroplevende scheuten zich behoorlijk te laten vermeerderen.

Daarom doe ik het niet in één, maar in twee jaar. Ik heb geregeld stengels over. Ik zet die in een glas water voor later gebruik. De stengels op die manier levend houden, is ook gewoon een betere manier om ze te bewaren dan ze in de koelkast leggen. Het gebeurt wel eens dat ze een heleboel wortels krijgen en flink uitlopen, nog voor ze bij een volgende kooksessie in de kookpot terechtkomen. Die plant ik dan in bloempotjes met potgrond.

In de loop van het jaar verzamel ik zo een aantal plantjes. Ik laat ze de eerste winter binnenshuis overwinteren. Je mag gerust een stuk van de bladeren afknippen wanneer ze te lang worden – ze groeien gewoon verder.  Na de passage der ijsheiligen zijn het dan al beter ontwikkelde plantjes met een veel groter wortelgestel. (Sommige plantjes staan dan al meer een jaar in een pot). Wanneer je ze dan, eind mei/begin juni, buiten op een zonnige plaats plant, hebben ze al een grote voorsprong en kunnen ze meerdere stengels beginnen te ontwikkelen. Maar zo groot als in hun natuurlijke biotoop worden de planten niet in ons klimaat. Je kan ze ook uit zaad kweken, als je maar vroeg genoeg begint.

Citroengras wordt ook gebruikt als natuurlijk bestanddeel voor citronellakaarsen, die verondersteld worden om vervelende muggen op comfortabele afstand te houden. Nu zag ik ooit een mug op de zijkant van een brandende citronellakaars landen en rustig blijven zitten, dus ik veronderstel dat de effectiviteit van dit middel toch enigszins begrensd is. Over klein vliegend ongedierte gesproken: ken je die elektrische vliegenvangers die eruitzien als een tennisracketje, en met een bevredigend geknetter vervelende rondzoemers liquideren?

Ik heb een knutselwerkje van zoonlief genomen om het om te bouwen tot een insectenknetteraar. In het vak techniek had hij zich enkele technische basisvaardigheden eigen moeten maken, of dat was althans de achterliggende betrachting, door het maken van een soortement foto- en balpenhouder. Nadat het artefact een tijdlang zijn kamer gedecoreerd had, mocht het een roemloos einde in de vuilnisbak tegemoet zien. Dat was natuurlijk buiten de ouwe hier gerekend, die al gaarne eens creatief met vermeend afval probeert te doen. Met wat spotgoedkope Chinese electronica en een rolletje ijzerdraad dat nog in ‘het kot’ lag, ging ik dan maar aan de slag. Het resultaat is iets dat ongeveer dubbel zo hard knettert als de eerder genoemde tennisracketjes. En omdat het spul toch voortdurend aan staat – want het verbruikt nagenoeg geen hol aan stroom – waarom er dan ook niet meteen ook een telefoonoplader van maken? De menselijke geest maakt soms vreemde sprongen. Intussen is gebleken dat het ding naar behoren werkt. Helaas trekt een toestel op basis van licht geen muggen aan. In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, lokt licht geen muggen, ook niet wanneer er een vleugje infrarood en ultraviolet bijzit.

Maar hola, we hadden het dus  over citroengras. Nog enkele foto’s:

Groeten,
Guy

Toevoeging 24/11/2020:
Gisteren heb ik uiteindelijk het citroengras geoogst. Winter is coming, ook al lijkt die daar niet geweldig veel haast mee te maken. De acht stengels zijn er intussen een heleboel geworden. Een aanzienlijk deel, vooral de allerdikste stengels, werd reeds tussentijds geoogst voor allerlei gedoe in de keuken. Alles tesamen had ik zowat een tachtigtal bruikbare stengels. Wat doe je daar dan mee? De grootste stengels liggen nu in de diepvriezer te wachten op toekomstig gebruik. De dunste stengels heb ik meteen gebruikt om kruidenolie mee te maken, samen met onder meer de gember die ik ook gisteren geoogst heb.

Bij het losscheuren van de stengels had ik bij elk bosje uiteindelijk nog een kluitje over met behoorlijk wat wortels aan. Ik heb deze in de serre geplant. Misschien om deze winter nog vers te oogsten, of misschien om te overwinteren en volgend jaar weer buiten te planten – als dat mogelijk blijkt.

Het experiment met overwinteren in de serre is nogal twijfelachting. Om de volgende generatie citroengras te verzekeren, heb ik ook enkele kleine scheutjes in huis gezet.

Het loof heb ik tussen de jonge look gelegd, bij wijze van beschermlaag voor de komende winter, en in het voorjaar gaat het in het compostvat. Niks gaat verloren!

* * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * * *